gepubliceerd in: Geografie, 16 (2007), nr. 9, p. 30-33

Antiquariaat  De Wereld aan de Wand

homepage
De Wereld aan de Wand
foto-overzicht
Collectie De Wereld aan de Wand
informatie
(school)wandkaarten
Museum aan de Wand

XVII
Reliëfweergave op schoolwandkaarten rond 1900:
De diepe kloof tussen pedagoog en cartograaf


door Lowie Brink

In 1899 veroorzaakte een eigenwijze Amsterdamse onderwijzer, Roelf Noordhoff, een kleine sensatie in de aardrijkskundige onderwijswereld. Zijn twaalf schoolwandkaarten van de landen van Europa waren ontworpen op grond van pedagogische beginselen en vertoonden een ongekend sterk sprekende reliëfweergave. In schril contrast met de vele juichende recensies en het aanvankelijke commerciële succes van de wandkaarten stond echter de bijtende kritiek van een van de eerste wetenschappelijk geschoolde cartografen, Hermann Haack. De opvattingen van de pedagoog Noordhoff en de cartograaf Haack bleken ruim honderd jaar geleden onoverbrugbaar.

Landschapschilders, -tekenaars en -fotografen weten dat het niet eenvoudig is om de driedimensionale wereld sprekend weer te geven in een tweedimensionaal vlak. Ook voor cartografen was dit een van de grootste problemen van hun vakgebied. En dat is eigenlijk nog steeds zo, ondanks het feit dat de ideeën over reliëfweergave door het vele cartografisch onderzoek in de 19de en vooral in de 20ste eeuw al voor een groot deel zijn uitgekristalliseerd. In het standaardwerk Kartographische Geländedarstellung van de niet geheel toevallig uit Zwitserland afkomstige Eduard Imhof zijn deze ideeën in 1965 uitgebreid en helder samengevat. Alleen al de talrijke illustraties in dit boek maken duidelijk dat er veel kennis is vergaard over bijvoorbeeld de keuze en plaatsing van hoogtecijfers, over hoogtelijnen en een geschikt hoogteverschil tussen twee hoogtelijnen, over de mogelijkheden om met streepjes (schrapjes) hellingen weer te geven, over de verschillende methoden van het simuleren van schaduweffecten, over de talrijke gebruikte kleurenreeksen om hoogtezones aan te duiden, en, ten slotte, over het succesvol combineren van deze reliëfweergavemethoden.

DIE ONMOGELIJKE BERGTEEKENING

De ontwerpers van schoolkaarten moesten het rond 1900 echter nog zonder dergelijke standaardwerken stellen. De verwarring over het weergeven van het reliëf op natuurkundige schoolkaarten was dan ook groot. De wetenschappelijke cartografie stond in de kinderschoenen, en kon nog geen pasklare antwoorden aandragen. Het gebruik in de schoolcartografie van de traditionele hellingschrapjes werd steeds vaker bekritiseerd, en in Duitsland vond een 'scheinbar ewigen Meinungskrieg' over de reliëfweergave plaats. [1] P.R. Bos experimenteerde met de kleuren van de hoogtezones in opeenvolgende drukken van de Bosatlas [2], terwijl collega's van hem in Nederland (A. Doeleman en J. Koonings) en in Duitsland (H. Harms) 'die onmogelijke bergteekening' [3] op schoolwandkaarten maar geheel weglieten, en vertrouwden op het plastische effect van een serie hoogtekleuren. Het was onder deze omstandigheden dat R. Noordhoff (1867-1916; geboren in het Groningse Den Andel en niet te verwarren met de Groningse schooluitgever P. Noordhoff) in 1899 bij uitgever S.L. van Looy twaalf schoolwandkaarten met de serietitel De Landen van Europa publiceerde. Deze kaarten waren vernieuwend door hun uitgesproken 'reliëfachtig' karakter en trokken direct veel aandacht (figuur 1). Uitgaande van het in 1899 populaire, van de geograaf R. Schuiling afkomstige beginsel dat de natuurlijke gesteldheid van het land de basis vormt van elke geografische beschouwing, tekende Noordhoff sobere en blinde kaarten die 'door den eenvoud en de kracht der teekening in staat zijn in groote en kenschetsende trekken van het land een beeld te geven, dat indruk genoeg maakt om bij te blijven'. [4] Zelfs de verwende kaartgebruiker anno 2007 zal moeten toegeven dat Noordhoffs kaarten nog steeds een 'onuitwischbare' werking [5] en een 'augenfällige Plastik' vertonen.

Wandkaartcode SPA_VL
1. Schoolwandkaart Spanje en Portugal van R. Noordhoff (1899, schaal 1:1.600.000, 59 x 79 cm).

MASTER RUSKIN

De afwijkende kaarten van Noordhoff doen de vraag rijzen wat deze Amsterdamse onderwijzer ertoe gedreven heeft zijn kaarten juist zo te ontwerpen en te tekenen. In het voorwoord van zijn atlas uit 1904 geeft Noordhoff zelf duidelijk aan dat hij door de ideeën van John Ruskin (1819-1900) is geïnspireerd. Deze gezaghebbende kunstcriticus, schrijver, romanticus en pedagoog in het Victoriaanse Engeland heeft zich vooral in zijn jongere jaren bezig gehouden met tekenonderwijs. In het hoofdstuk Of Light and Shade in zijn laatste boek over tekenen, The Laws of Fésole (1877-1878), doen enkele tekenvoorbeelden sterk denken aan de kaarten van Noordhoff. Een van Ruskins pedagogische uitgangspunten was 'het oog den voorrang te geven op het oor'. [6] Het belang dat Noordhoff hechtte aan directe boven indirecte aanschouwelijkheid is hiermee in overeenstemming. Ruskins anti-wetenschappelijke en anti-intellectualistische houding inzake opvoeding komt ook weer terug in zijn oordeel over de destijds gangbare atlassen. Deze moesten sierlijker, eenvoudiger, ontspannender, plastischer en levendiger worden uitgevoerd. Als Ruskin de kaarten van Noordhoff onder ogen had gekregen, dan zou hij trots geweest zijn op het werk van zijn volgeling.

BUITENGEWOON GROOTEN OPGANG

De ontvangst in Nederland van Noordhoffs schoolwandkaarten was overwegend zeer positief, soms zelfs laaiend enthousiast. 'Een eer voor ons land' was de conclusie in School en Leven [7], en ook in Het Schoolblad prees Zondervan, schrijver van het eerste kartografieleerboek ter wereld, de schoolwandkaarten aan: 'De groote waarde voor het onderwijs zal door geen enkel bevoegd beoordeelaar ontkend kunnen worden.' [7] Geografische beroemdheden als Beekman ('fraai', 'uitstekend hulpmiddel' [8]) en Blink ('belangrijke schrede op den goeden weg' [7]) lieten zich niet onbetuigd. Bijna lyrisch werd de toch doorgaans kritische schoolgeograaf Niermeyer toen hij de schoolwandkaarten in 1902 ontdekte op een onderwijstentoonstelling: 'geheel met de gewone methodes gebroken', 'zeer sterk sprekend', 'buitengewoon duidelijk', 'aangenaam', 'die van Noordhoff leven'. [9] De kaarten werden zelfs verkocht in Engeland en België, en ook in Duitsland werd in 1901 'met veel succes een inval gedaan'. [10] De pedagoog R. Seyfert twijfelde er niet aan dat 'die Schulwandkarten im Lauf der Zeit in dieser Ausführung gefordert werden dürfen.' [11] De eeuwwisseling had niet beter kunnen verlopen voor Noordhoff. Vol goede moed zette hij zich weer aan het werk en publiceerde in hoog tempo een grote schoolwandkaart in vier bladen van het Rijngebied (1901), een Leiddraad bij de schoolwandkaarten (1902, [12]) en een unieke atlas (1904, [13]). Het feest werd echter in 1902 ruw verstoord door een nog nieuw cartografisch fenomeen aan de vermaarde Geographische Anstalt von Justus Perthes in Gotha: Haack.

PROF. DR. DR.H.C. H. HAACK

In 1902 werd de jonge, in 1896 gepromoveerde Dr. Haack (1872-1966) nog geen 'Altmeister der Kartographie' genoemd. Maar door de cartografie als een van de eersten wetenschappelijk te benaderen, door zijn werk aan school- en handatlassen en geografische tijdschriften en jaarboeken en vooral door zijn enorme productie van invloedrijke, wereldwijd bekend geworden schoolwandkaarten zou hij deze eretitel later terecht verdienen. [14] Haack zou ook een leidende rol gaan spelen in de Duitse schoolgeografie en schoolcartografie. Vanaf 1899 leverde hij een groot aantal nuchtere en kritische bijdragen aan zijn eigen 'Lieblingskind' [15], het op het onderwijs gerichte tijdschrift Geographischer Anzeiger. Hierin publiceerde Haack in 1902 een artikel over Das 'Malerische Element' in den geographischen Lehrmitteln, waarin hij niet veel heel liet van Noordhoffs schoolwandkaarten. [16] De gevolgen bleven niet uit: Noordhoff boos, schrijft Ein Protest und eine Antikritik, geweigerd door redactie, Noordhoff nog bozer en plaatst in de Geographischer Anzeiger een paginagrote advertentie met zijn protest à raison van 60 Mark. [11] Hieronder wordt het ietwat uit de hand gelopen meningsverschil tussen pedagoog en cartograaf geanalyseerd aan de hand van de drie grootste geschilpunten: terreinvormen, hoogtevoorstelling en overdrijving.

2. Door R. Noordhoff getekend bovenaanzicht van een afgeknotte kegel met loodrechte belichting (links) en met schuine belichting (rechts).

TERREINVORMEN

Haack accepteerde een nieuwe methode voor de reliëfweergave pas als deze zich in de praktijk ruimschoots bewezen had. Zo hield hij nog heel lang vast aan de traditionele hellingschrapjesmethode (het 'Gerüst der Schraffenzeichnung' [17]) met loodrechte belichting als basis van de voorstelling van de relatieve bodemverheffing, de terreinvormen. De meer plastisch werkende schrapjes met schuine (noordwest)belichting, de zogenaamde schaduwschrapjes, konden zijn goedkeuring nog wegdragen. Maar om nu de schrapjes helemaal overboord te gooien, en alleen van schaduwering gebruik te maken, onder het van de geograaf-pedagoog Harms afkomstige motto 'Plastik ist Trumpf' [18], dat heeft Haack nog lang bestreden. Ook Noordhoff ondervond dat. De 'einseitige' voorstelling van de terreinvormen bij Noordhoff enkel met schaduwering met schuine belichting beoordeelde Haack als willekeurig, subjectief, 'künstlerisch' en onwetenschappelijk. [19] De keuze tussen loodrechte en schuine belichting heeft lang de (Duitse) gemoederen verhit (een 'kamer vol Duitsche literatuur' in de woorden van Noordhoff [20]). Haack stond hierin aanvankelijk onder invloed van een andere wetenschappelijke cartograaf, K. Peucker, die een voorstander was van loodrechte belichting ('schiefen Idee der schiefen Beleuchtung' [21]). Voor Noordhoff was alleen van belang dat schuine belichting in tegenstelling tot loodrechte belichting krachtige beelden opleverde, hetgeen hij in zijn Leiddraad ook illustreerde (figuur 2). Schrapjes waren volgens Noordhoff dan niet meer nodig, en de nadelen van de schuine belichting zoals subjectiviteit nam hij op de koop toe, 'want we vergaten geen ogenblik, dat we aan het tekenen waren voor onze kinderen'. [22] Interessant is dat ook Haack tenslotte op hoge leeftijd de schrapjes zou weglaten (figuur 3a). Zijn 'Schattenplastik' ging echter altijd hand in hand met een 'Farbenplastik'. Dat leidt ons naar het volgende geschilpunt.

3. Fragment (Venetië en omgeving) van (a) schoolwandkaart Mittelmeerländer van H. Haack (1954, schaal 1:2.000.000) en van (b) schoolwandkaart Oostenrijk-Hongarije van R. Noordhoff (1899, schaal 1:1.600.000). De vergelijking is niet echt eerlijk aangezien de reproductietechniek in 55 jaar grote vooruitgang heeft geboekt.

HOOGTEVOORSTELLING

Het gebruik van hoogtekleuren is volgens Haack de enige methode om een objectief en aanschouwelijk beeld te geven van de absolute bodemverheffing, de hoogtevoorstelling. Hoogtelijnen, loodrechte en schuine belichting, of een combinatie daarvan, zijn daarvoor niet geschikt. In het bovengenoemde artikel uit 1902 geeft Haack aan voorstander te zijn van een door Peucker voorgesteld, plastisch werkend kleurengamma (blauwgroen naar oranjerood) met het principe: hoe hoger, hoe intensiever. Haack zou enkele jaren later deze hoogtekleuren op zijn eigen schoolwandkaarten gaan toepassen (figuur 3a). Noordhoff staat ook hier lijnrecht tegenover Haack, en was een fervent tegenstander van hoogtekleuren (figuur 3b). Deze verhoogden het aantal kaartsymbolen aanzienlijk, en bemoeilijkten daardoor het kaartlezen. Dit laatste noemt Noordhoff de 'schaduwzijde der Höhenschichten, made in Germany'. [23] Hoogtekleuren offerden de directe aanschouwelijkheid op aan wetenschappelijke nauwkeurigheid. Onaanvaardbaar volgens Noordhoff: 'Ich stehe hier als Pädagog mein Kind zu verteidigen.' [11] Bij Noordhoffs methode van reliëfweergave worden met behulp van tinten van één grijze kleur niet alleen de terreinvormen maar ook de hoogtevoorstelling weergegeven ('hoe hoger, hoe donkerder' volgens Noordhoff [24]). Dit heeft volgens Haack onder meer als nadeel dat het verschil tussen middel- en hooggebergte niet altijd duidelijk is. De kloof tussen Noordhoff en Haack wordt wel steeds duidelijker. En dan hebben we het nog niet eens over overdrijving gehad.

OVERDRIJVING

Overdrijving op kleinschalige (school)kaarten is vaak noodzakelijk om onder meer het reliëf duidelijk te kunnen weergeven. Ook Haack is zich hiervan bewust, maar hij waarschuwt tevens in zijn eigen spreekbuis, de Geographischer Anzeiger, dat het 'die Ehrenpflicht eines jeden Kartographen ist, möglichst richtig zu zeichnen'. [25] Haack is dan ook slecht te spreken over de 'ganz unnatürlich vergrößerte Bergzüge in ganz unmöglichen Formen' en de 'scharfgratige Kämme' op Noordhoffs kaarten. [19] Voor Noordhoff staat het nu vast: Haack is waarschijnlijk zelf geen leraar. Hij geeft Haack 'nachdrücklich den Rat sein Meßstäbchen fortzulegen' en zelf maar eens een schoolwandkaart te ontwerpen (Haack had in 1902 nog geen schoolwandkaarten gepubliceerd). Hij zal dan merken dat 'über die Deutlichkeit nichts geht' en dat (gespatieerd gedrukt) 'mit weniger Übertreibung es sich nicht tun läßt.' [11] Een bemiddelingspoging had hier niet meer geholpen.

ROTSVAST

Zoals te verwachten maakte de paginagrote protestadvertentie van Noordhoff op Haack niet veel indruk. Haack voelde zich niet aangesproken 'auch nur einen Satz meines Urteils zu ändern'. [26] De vanaf 1907 aan een ware zegetocht beginnende natuurkundige schoolwandkaarten van Haack (Großer Geographischer Wandatlas) zouden ontworpen worden op basis van zijn hierboven genoemde ideeën uit 1902. Maar ook Noordhoff was onverzettelijk. Zo zijn de 'bergkaarten' in zijn afwijkende en vernieuwende schoolatlas (1904) geheel in dezelfde stijl uitgevoerd als zijn schoolwandkaarten. Zijn bij uitgeverij Wolters verschenen schoolwandkaarten van Nederland, Europa (staatkundig) en de wereld (staatkundig), later herzien door K. Zeeman, werden een groot verkoopsucces, maar de reliëfweergave speelt op deze drie kaarten een ondergeschikte rol. Echter, in 1916, zijn sterfjaar, kon de slechts 49 jaar oud geworden Noordhoff nog één maal schitteren met zijn schaduweringstechniek. De weergave van de vulkanen op de Eenvoudige Wandkaart van Nederlandsch Oost-Indië kan wedijveren met die van de Topografische Inrichting in Batavia (figuur 4). En vanzelfsprekend uitgevoerd met schuine belichting, zonder hoogtekleuren en met flink wat overdrijving.

4. Fragment (meest oostelijke gedeelte van Java) van (a) schoolwandkaart Java en Madoera van de Topografische Inrichting (1923, schaal 1:500.000) en van (b) schoolwandkaart Eenvoudige Wandkaart van Nederlandsch Oost-Indië van R. Noordhoff en H. Niehaus (1916, schaal 1:750.000).

OVERBRUGGING

De botsing tussen pedagogische en cartografische beginselen in de schoolcartografie zou in de 20ste eeuw zeker niet beperkt blijven tot de hier beschreven aanvaring. Zo waarschuwt de opvolger van R. Noordhoff bij Wolters, de schoolcartograaf en onderwijsman K. Zeeman, in 1959 in een brief aan Wolters: 'Als een wetenschappelijk man ingrijpt in de zaken der Lagere School, gaat het vrij stellig verkeerd.' In de tweede helft van de 20ste eeuw zouden schoolkaarten echter steeds minder vaak door onderwijzers en leraren worden vervaardigd, en steeds vaker door professionele cartografen op de door Haack gepropageerde wetenschappelijke wijze. Het cartografisch instituut van Wolters (-Noordhoff) heeft in deze periode geleidelijk de schaduwschrapjes in de Bosatlas vervangen door schaduwering. [27] Een ontwikkeling die we ook op de schoolwandkaarten van Haack aantreffen. Maar ook de schaduweringstechniek is niet onmisbaar. Dit blijkt bijvoorbeeld uit de onlangs verschenen schoolatlas Nederland Wereldland van uitgeverij Hebri, waarin het reliëf enkel door hoogtekleuren wordt weergegeven. [28] Wat betreft hoogtekleuren, vaak het fundament van de reliëfweergave op natuurkundige schoolkaarten, is het duidelijk dat Noordhoff daar honderd jaar geleden te negatief over was. Met de keuze van de hoogtekleuren wordt nog wel steeds geëxperimenteerd. Zo maakt de genoemde Hebri-atlas, in tegenstelling tot de Bosatlas met zijn al lang bestaande, traditionele kleurenschema (zachte tinten groen, geel en bruin), gebruik van felle groen- en geeltinten. Of het weglaten van schaduwering en de toepassing van felle hoogtekleuren pedagogisch gezien wel een verbetering zijn, moet de tijd uitwijzen, maar bij het kaartontwerp zullen ongetwijfeld pedagogische argumenten een belangrijke rol hebben gespeeld. Terwijl de vroegere schoolkaartenmakers, de pedagogen, zich doorgaans maar zeer beperkt op de hoogte konden stellen van cartografische beginselen, kunnen de huidige schoolkaartenmakers, de cartografen, wel eenvoudig kennis nemen van pedagogische beginselen. De kloof tussen pedagoog en cartograaf moet daardoor wat minder diep geworden zijn.



Literatuur

1. Haack, H., Die Fortschritte der Kartenprojektionslehre, Kartenzeichnung und -Vervielfältigung, sowie der Kartenmessung. - In: Geographisches Jahrbuch XXVI (1903), blz. 396.
2. Ormeling, F.J. en R.J.F.M. van der Vaart, Biografie van de Bosatlas [1877-heden]. - Groningen, 2005. - Blz. 38-39.
3. Uitgaven W.J. Thieme & Cie. [fondscatalogus]. - Zutphen, 1903. Blz. 13.
4. Noordhoff, R., Geïllustreerde atlas der geheele aarde. - Amsterdam, [1904]. - Voorbericht.
5. Beekman, A.A., De Rijn. - In: Tijdschrift van het Koninklijk Nederlandsch Aardrijkskundig Genootschap (tweede serie) XIX (1902), blz. 184.
6. Kreemers, R., John Ruskin. - Oisterwijk, [1929]. - Blz. 115.
7. [Advertentie van uitgever S.L. van Looy]. - In: Vragen van den dag XVII (1902), februarinummer.
8. Beekman, A.A., De Rijn. - In: Tijdschrift van het Koninklijk Nederlandsch Aardrijkskundig Genootschap (tweede serie) XIX (1902), blz. 183-185.
9. Niermeyer, J.F., De tentoonstellingen in Antwerpen en in Amsterdam. - In: Tijdschrift van het Koninklijk Nederlandsch Aardrijkskundig Genootschap (tweede serie) XIX (1902), blz. 864-865.
10. Noordhoff, R., De kaart als grondslag van het onderwijs in de aardrijkskunde : Leiddraad. - Amsterdam, 1902. - Blz. 141.
11. Noordhoff, R., Ein Protest und eine Antikritik. - In: Geographischer Anzeiger 3 (1902), blz. 191
12. Noordhoff, R., De kaart als grondslag van het onderwijs in de aardrijkskunde : Leiddraad. - Amsterdam, 1902.
13. Noordhoff, R., Geïllustreerde atlas der geheele aarde. - Amsterdam, [1904].
14. Dijkstra, W., Prof. Dr. Hermann Haack. In: K.N.A.G. Geografisch Tijdschrift I (1967), blz. 81-84.
15. Horn, W., Das Lebenswerk von Hermann Haack. - In: Petermanns Geographische Mitteilungen 110 (1966), blz. 163.
16. Haack, H., Das 'Malerische Element' in den geographischen Lehrmitteln. - In: Geographischer Anzeiger 3 (1902), blz. 115-118, 130-135, 148-150.
17. Painke, W., Haacks Wandatlanten gestern und heute. - In: Kartographische Nachrichten 22 (1972), blz. 181.
18. Haack, H., Das 'Malerische Element' in den geographischen Lehrmitteln. - In: Geographischer Anzeiger 3 (1902), blz. 130.
19. Haack, H., Das 'Malerische Element' in den geographischen Lehrmitteln. - In: Geographischer Anzeiger 3 (1902), blz. 150.
20. Noordhoff, R., De kaart als grondslag van het onderwijs in de aardrijkskunde : Leiddraad. - Amsterdam, 1902. - Blz. 5.
21. Haack, H., Das 'Malerische Element' in den geographischen Lehrmitteln. - In: Geographischer Anzeiger 3 (1902), blz. 131.
22. Noordhoff, R., De kaart als grondslag van het onderwijs in de aardrijkskunde : Leiddraad. - Amsterdam, 1902. - Blz. 7.
23. Noordhoff, R., De kaart als grondslag van het onderwijs in de aardrijkskunde : Leiddraad. - Amsterdam, 1902. - Blz. 2.
24. Noordhoff, R., De kaart als grondslag van het onderwijs in de aardrijkskunde : Leiddraad. - Amsterdam, 1902. - Blz. 3.
25. Haack, H., H. Harms' Schulwandkarte von Deutschland. - In: Geographischer Anzeiger 1 (1900), blz. 3.
26. Haack, H., Kleine Mitteilungen. - In: Geographischer Anzeiger 3 (1902), blz. 184.
27. Ormeling, F.J. en R.J.F.M. van der Vaart, Biografie van de Bosatlas [1877-heden]. - Groningen, 2005. - Blz. 39.
28. Ormeling, F.J., Nederland Wereldland - een nieuwe Nederlandse schoolatlas van uitgeverij Hebri. - In: Geo-Info 4 (2007), blz. 240-242.



homepage
De Wereld aan de Wand
foto-overzicht
Collectie De Wereld aan de Wand
informatie
(school)wandkaarten
Museum aan de Wand