gepubliceerd in: Caert-Thresoor, 36 (2017), nr. 4, p. 159-167

Antiquariaat  De Wereld aan de Wand

homepage
De Wereld aan de Wand
foto-overzicht
Collectie De Wereld aan de Wand
informatie
(school)wandkaarten
Museum aan de Wand

XXVII
P.R. Bos is dood, leve J.F. Niermeyer!
Een nieuw kartografisch geluid bij uitgeverij Wolters


door Lowie Brink

De zomer van het jaar 1902 leek aanvankelijk weinig goeds in de zin te hebben voor de Nederlandse geografie en kartografie. P.R. Bos, de man achter De Grote Bosatlas, de sterauteur van uitgeverij Wolters en "wiens naam met gouden letteren geboekt blijft in de annalen der aardrijkskundige wetenschap" [1], werd op 22 juni op 55-jarige leeftijd "zoo plotseling door den dood aan zijn werkzaam leven ontrukt". [2] Drie weken later pakte die zomer toch minder slecht uit dan gedacht.

De op 12 juli in Amsterdam geopende tentoonstelling van 'hulpmiddelen bij het aardrijkskundig onderwijs' bleek namelijk een groot succes. "Daar toch is dit jaar iets te zien, wat misschien nimmer weer te zien zal zijn." [3] Geëxposeerd werd een groot aantal inzendingen van Nederlandse en buitenlandse uitgevers, overheidsdiensten, het Schoolmuseum, het Aardrijkskundig Genootschap en particulieren. Bij de opening was "het heele aardrijkskundige Nederland tegenwoordig; nagenoeg alle leeraren die de geographie onderwijzen, alle kopstukken zoals den véélschrijvenden Dr. H. Blink, hooge oomes op onderwijsgebied, schoolopzieners, inspecteurs en dergelijke." [4] De tentoonstelling was ook een must voor de opvolger van Bos, J.F. Niermeyer, die zich "verheugde over zooveel belangstelling in aardrijkskunde hier te lande" en er een uitgebreid verslag over schreef. [5] Uit dit kritische, ideeënrijke en enthousiaste verslag blijkt al zonneklaar dat Wolters in 1902 een waardige troonopvolger in het uitgevershuis had binnengehaald.

SPIN IN HET WEB

Dankzij de Bosatlas - van 1923 tot 1967 getiteld Bos-Niermeyer schoolatlas der geheele aarde - is de naam van Niermeyer niet helemaal verdwenen in de mist der geschiedenis. Het had echter niet veel gescheeld. De sociograaf W.H. Vermooten behandelde in zijn uitvoerige proefschrift uit 1941 over De mens in de geografie [6] een groot aantal geografen, maar wist niets meer over de Utrechtse hoogleraar Niermeyer te bedenken dan een paar overgeschreven zinnen uit een necrologie van 1924. [7] En de Amsterdamse hoogleraar in de sociale geografie M.W. Heslinga kon zich niet herinneren dat er in zijn Utrechtse studietijd (1945-1951) ooit over Niermeyer was gerept: "Ik heb eerst enige jaren nadien beseft dat Van Vuuren [de opvolger van Niermeyer] een voorganger had." Bij navraag bij de Utrechtse hoogleraar in de fysische geografie J.B.L. Hol kreeg hij als antwoord: "Beste Heslinga, je kunt je tijd beter besteden dan je te verdiepen in iemand die terecht vergeten is." [8] Ernstiger voor ons onderzoek is het feit dat in het bedrijfsarchief van Wolters (thans Noordhoff Uitgevers) Niermeyer letterlijk verdwenen is, aangezien er geen snipper informatie over hem beschikbaar is (en hetzelfde geldt voor de hierna ter sprake komende kaartauteurs van Wolters als Keiser, Bleeker en Marwitz; alleen de correspondentie van Bos is in een apart archief bewaard gebleven [9]). Desondanks zullen we proberen aan te tonen dat Niermeyer vanaf 1902 circa twintig jaar lang niet alleen de Bosatlas heeft bewerkt, maar bij Wolters als een spin in het web heeft gefungeerd bij de uitgave van een scala aan leerboeken en innovatieve atlassen en wandkaarten. Als eerste stap zullen we de schijnwerper op Niermeyer als persoon richten.

AAN DEN MENSCH EEN GROOTE PLAATS VERLEEND

Jan Frederik Niermeyer (1866-1923) heeft de eerste 22 jaren van zijn leven in Amsterdam doorgebracht (H.B.S., studie M.O.-akten aardrijkskunde (1886) en geschiedenis (1888) aan de Universiteit van Amsterdam o.a. bij prof. C.M. Kan). De twintig jaar daarna (1889-1908) raakte hij als leraar aardrijkskunde en geschiedenis aan het prestigieuze 'Erasmiaansch Gymnasium' in Rotterdam ook met die andere grote handelsstad vertrouwd. Zijn eerste publicaties (vanaf 1885) en zijn werkzaamheden (vanaf 1887) als assistent van de tijdschriftredactie van het Koninklijk Nederlands Aardrijkskundig Genootschap (KNAG) stammen al uit zijn Amsterdamse jaren, waarbij de hulp van Kan uiteraard een rol gespeeld heeft. Niermeyer zou met grote regelmaat bijdragen leveren aan het tijdschrift van het KNAG (lid van de redactiecommissie 1897-1906, voorzitter daarvan 1906-1914) en was "deel van de 'inner circle' van het KNAG". [10] Zo was hij bijvoorbeeld in 1910 voorzitter van de commissie voor economische geografie en actief in commissies voor kartografie, fotografie en de bibliotheek. [11] Strijdvaardig pleitte hij rond 1900 voor een universitaire opleiding van aardrijkskundeleraren en voor de verbetering van de positie van de geografische wetenschap aan de Nederlandse universiteiten.

1. J.F. Niermeyer in een professorale houding, jaren '10, Utrecht (afbeelding in: B. de Pater (1999), Een tempel der kaarten, blz. 34).

Zijn wensen kwamen deels in vervulling door de aanstellingen van vier hoogleraren in 'physische' en 'politische' (sociale) aardrijkskunde in Amsterdam (1907) en in Utrecht (1908). Niermeyer was daar een van en kreeg de taak de 'statistisch-politische, economische en algemeene aardrijkskunde' in Utrecht te doceren (afb. 1). Zijn denkbeelden over geografiebeoefening waren in zijn Rotterdamse jaren al uitgekristalliseerd. Als leerling van Kan en als kind van zijn tijd is het niet verwonderlijk dat hij de landbeschrijving nog als kern van de geografie beschouwde. Maar dan wel een landbeschrijving waar de "werken van den mensch een zorgvuldige en belangstellende behandeling" ontvangen. [12] In zijn Utrechtse jaren (vanaf 1908) keerde hij zich steeds meer tegen het fysisch-determinisme van de Duitse school en richtte hij zich op de Franse 'géographie humaine' van P. Vidal de la Blache en zijn leerling J. Brunhes. Hierbij stonden mens-natuur relaties binnen regionale kaders centraal. [13] De mens grijpt in de werking van de natuur in, maar zonder algemene wetmatigheden en met ruimte voor creativiteit en toeval. [14] Gesteld kan worden dat het Niermeyer was die Vidal de la Blache, de geestelijk vader van de sociale geografie [15], in Utrecht heeft geïntroduceerd.

In een 'word cloud' van de persoon Niermeyer zouden de volgende karaktertrekken het duidelijkst naar voren dienen te komen: belezen, contactvaardig, eenvoudig, helder, hulpvaardig, idealistisch, (te) kritisch, praktisch, toegewijd, veelzijdig, vriendschappelijk. Zijn uitgesproken meningen en zeer kritische recensies zouden hem echter veel vijanden bezorgen. Twee passies springen bij Niermeyer in het oog, die beide waarschijnlijk van Kan zijn overgenomen. De eerste is Nederlands-Indië, waarover de meerderheid van zijn publicaties dan ook handelt. De tweede is kartografie, en daarvan getuigen bijvoorbeeld diverse scherpzinnige kaartrecensies en een reeds in 1893 gepubliceerd overzicht van de geschiedenis van de kartografie van Nederland. [16] Zijn werkzaamheden bij uitgeverij Wolters hadden tot gevolg dat hij vanaf 1902 ook als kartograaf aan de slag kon. Waartoe dat geleid heeft, zal hieronder uit de doeken worden gedaan.

GROTE EN KLEINE BOSATLAS

Naast de atlassen en wandkaarten heeft Niermeyer ook de aardrijkskundige leerboeken van Bos bewerkt. Maar later had hij bij Wolters ook zijn eigen leerboek, De oost en de west (1909), en was hij behulpzaam bij andere uitgaven van Wolters (een inleiding bij Bezemers Door Nederlandsch Oost-Indië uit 1906 en een handleiding uit 1904 bij de wandplaten van Bos). Zijn "sterke morele verbondenheid" met deze uitgever blijkt ook uit zijn streven om een atlas van Nederlands-Indië van het KNAG door Wolters te laten uitgeven. [17] Niermeyer heeft vier atlassen van Bos geredigeerd, maar de meeste tijd ging zitten in de bewerking van de bekende Schoolatlas der geheele aarde (hier aangeduid als De Grote Bosatlas) en de eveneens veel gebruikte Atlas voor de volksschool (hier aangeduid als De Kleine Bosatlas). De Utrechtse hoogleraar kartografie C. Koeman was niet te spreken over de bewerking van De Grote Bosatlas door Niermeyer: "In comparison to P.R. Bos his constructive ideas on atlas-cartography were slight." [18] Zijn opvolger in Utrecht, F.J. Ormeling jr., nuanceert dit beeld echter in zijn Biografie van de Bosatlas. Dankzij Niermeyer ging de atlas tot het establishment horen, werd er actuelere informatie gebruikt (van ontdekkingsreizigers en uit de boeken- en kaartenverzameling van het Geografisch Instituut) en kwam er dus een meer wetenschappelijke benadering. [19] Een minder constructieve, behoudende aanpak was misschien ook wel beter gezien de bewezen formule van De Grote Bosatlas in 1902 en de conservatieve smaak van de meeste aardrijkskundeleraren.

2. Schoolatlaskaart Balkan-Schiereiland in de Atlas voor de volksschool (schaal 1:6.000.000); links: 16de druk door P.R. Bos (ca. 1897), rechts: 24ste druk bewerkt door J.F. Niermeyer (1911). Een sterk verbeterde reliëfweergave is verkregen door vervanging van schrapjes door schaduwering.

Van een behoudende aanpak was echter in geval van de in de schaduw van zijn grote broer staande Kleine Bosatlas geen sprake. Vooral de reliëfweergave werd in deze atlas radicaal veranderd. Niermeyer was een groot liefhebber van een relatieve hoogtevoorstelling door middel van schaduwschrapjes of schaduwering met schuine belichting. Een typerende uitspraak van hem is bijvoorbeeld: "Welk een prachtig, zonnig, schitterend reliëf! De tegenstanders der 'Schiefe Beleuchtung' kunnen hier bekeerd worden." [20] In de meer wetenschappelijke Grote Bosatlas heeft hij alleen voorzichtig aan de reliëfweergave kunnen sleutelen (schrapjes wat meer accentueren, een paar slagschaduwen aanbrengen tegen de bergketens), maar in de voor het lager onderwijs bedoelde Kleine Bosatlas kon hij zich in zijn liefhebberij uitleven. De vervanging van hellingschrapjes door schaduwering met schuine belichting in de 22ste druk (1907) levert een fraaie, duidelijke en plastische reliëfweergave op (afb. 2). Als deze schaduwering in de 30ste druk (1922) weer vervangen wordt, merkt Koeman dan ook teleurgesteld op: "The representation of relief is inferior to preceding editions." [21] En ook de geograaf en kartograaf J. Schokkenkamp - leerling van Schuiling en Niermeyer en "lang het kartografisch geweten van Nederland" [22] - zit met vele vragen opgescheept: "Waarom is men daarvan later weer afgestapt? Wie heeft deze reliëftekening vervaardigd? Welke pionier beheerste deze kunst? Kan de firma Wolters daarbij misschien de helpende hand bieden?" [23] Dat laatste gaat waarschijnlijk niet lukken (zie hierboven over het verdwenen bedrijfsarchief), maar wat betreft de werkwijze is het goed denkbaar dat de nieuwe kaarten op steen zijn gebracht aan de hand van door Niermeyer geselecteerde Duitse kaarten. In een andere context vermoedde Niermeyer ook een dergelijke werkwijze: "De lithograaf werkt klaarblijkelijk naar de beste Duitsche voorbeelden; waar zou hij beter terecht kunnen?" [24]

EEN NIEUWE INDELING VOOR EEN KLASSIEKER

Van de zeven schoolwandkaarten van Bos zouden er twee de status van klassieker bereiken: de Wandkaart van Ned. Oost-Indië (1881) en de wandkaart van Java (1890). De eerste zou negen drukken (lees: edities) beleven en de tweede acht drukken, wat voor schoolwandkaarten uitzonderlijk veel is. Enkel het verlies van onze koloniën in de Oost heeft het uitbrengen van nieuwe drukken van deze twee wandkaarten een halt toegeroepen. In 1909 waren weer nieuwe, vierde drukken voor beide kaarten nodig, en het is niet verwonderlijk dat Niermeyer - expert op het gebied van Nederlands-Indië - daarvoor gevraagd werd. Hij deed dat in samenwerking met W. van Gelder, een 'oud-inspecteur van het inlandsch onderwijs' en auteur van de bekende Schoolatlas van Nederlandsch Oost-Indië, die in 1901 samen met Bos en R.R. Rijkens de derde drukken had herzien. De vierde druk van Java is geheel opnieuw getekend door Van Gelder en vertoont diverse aanpassingen (zoals een nieuwe reliëfschaduwering), maar het meest opvallend is de geheel nieuwe indeling en het bijbehorende kleurgebruik (afb. 3). De ongebruikelijke indeling van de derde druk is zowel geologisch als natuurkundig (met hoogtezones): een groene kleur geeft 'alluviale en kwartaire gronden hoogstens 120 M. boven zee' aan, een groene kleur met een 'H' daarin geeft 'hoogvlakten' aan en een bruine kleur geeft 'vulkanische en tertiaire gronden' aan. De indeling van de vierde druk is daarentegen een toonbeeld van eenvoud: staatkundig met fraaie kleuren voor de residenties. Het was wellicht Niermeyer die af wilde van de onduidelijke geologisch-natuurkundige indeling. In een kaartenset van Java in De Grote Bosatlas zijn de drie gebruikelijke indelingen (geologisch, natuurkundig, staatkundig) verwerkt in drie boven elkaar geplaatste kaarten, en daarmee vergeleken kan de indeling van de derde druk van de wandkaart alleen maar verwarring stichten. Een zuiver geologische indeling had Niermeyers goedkeuring ook niet kunnen wegdragen, aangezien hij "tegen de overschatting van de geologische grondslagen van de aardrijkskundige wetenschap" was. [25] En misschien vond Niermeyer de tijd nog niet rijp voor een natuurkundige indeling, aangezien hij in een voorbericht van De Grote Bosatlas uit 1906 vermeldt: "Tot vervanging van het blad Java kon nog niet besloten worden, het materiaal voor een goede orografische kaart van dat eiland is nog altijd niet volledig." Blijft over een staatkundige indeling met, zoals gezegd, een zeer smaakvol kleurgebruik. Niermeyer lijkt wat dat laatste betreft trouw aan zijn eigen eerder geuite aanmaningen: "Hier zijn we bij een punt aangeland, waarover niet genoeg gemopperd kan worden: dat de vervaardigers van schoolkaarten zoo weinig doen voor het schoonheidsgevoel." [26] "Misschien zou het wat helpen als zij in 't vervolg eens de smaak van een artiest te hulp riepen voor de keus der tinten." [27]

3. Schoolwandkaart Java (schaal 1:500.000, 4 bladen, 65 x 220 cm); boven: derde druk door P.R. Bos, R.R. Rijkens en W. van Gelder ([1901], collectie Bodel Nijenhuis, Universitaire Bibliotheken Leiden), onder: vierde druk door P.R. Bos, R.R. Rijkens, W. van Gelder en J.F. Niermeyer (1909). De indeling is veranderd van geologisch-natuurkundig naar staatkundig.

DR. NIERMEYER AUS ROTTERDAM

De Duitse geografendagen waren elke twee jaar tijdens de 'Pfingstwoche' weer een gebeurtenis van belang die ook in Nederland zijn sporen naliet. Zo kreeg uitgeverij Wolters een uitnodiging deel te nemen aan de 'Ausstellung' van geografische leermiddelen tijdens de geografendagen in Bremen (1895), en werd Niermeyer door het KNAG afgevaardigd om verslag te doen van de geografendagen in Keulen (1903). Door de industriële revolutie en de opkomst van nieuwe verkeersmiddelen was de verkeersgeografie tot een belangrijke tak van de geografie uitgegroeid, die dan ook in Keulen een 'hot topic' was. Het zal Niermeyer hebben versterkt in zijn opvatting dat bij "eener complete landbeschrijving ook de mensch in zijne werken behoort (zoals nederzettingen, bodemgebruik en verkeerswegen)." [28] Hij nam in Keulen actief deel aan de discussies over 'Verkehrsgeographie' zoals in een verslag in het Geographische Zeitschrift te lezen valt: "Dr. Niermeyer aus Rotterdam führte aus, als Rotterdamer habe er mit Interesse (et cetera)." [29] Hij stond ook open voor nieuwe denkbeelden. Het is zeer goed mogelijk dat Niermeyer in Keulen op het idee is gekomen om een van de 'Verkehrs-Schulwandkarten' - die in het Duitse onderwijs al gebruikt werden - in Nederland te introduceren, waar thematische schoolwandkaarten nog vrijwel onbekend waren. Zijn keuze is daarbij gevallen op de Wandkarte des Weltverkehrs (1ste druk 1903, 2de druk 1904, 5e druk 1919) van dr. G. Leipoldt, een 'Professor' aan het 'Königl. Gymnasium' in Dresden-Neustadt. Deze kaart was volgens uitgever Müller-Fröbelhaus in Dresden in 1903 een verkoopsucces: "Die I. Auflage von 500 Exemplaren war in 4 Monaten vergriffen." [30] In 1905 zou Niermeyer van deze wandkaart een Nederlandse bewerking laten verschijnen, waarbij zoveel werd aangepast dat de vermelding van zijn naam als tweede auteur geheel terecht was (afb. 4). Veel bleef hetzelfde zoals de titel (na vertaling: Het wereldverkeer. De staten en koloniën met de voornaamste stoomboot- en spoorlijnen, karavaanwegen, telegraaflijnen en -kabels), de schaal (1:20.000.000), de Mercatorprojectie en de legenda. Maar veel is ook veranderd: -meer stoomvaartlijnen en telegraafkabels, -de lijnkleur van een stoomvaartlijn in de kleur van de koloniale mogendheid (in plaats van enkel het onderscheid 'Deutsch'/'fremd'), -minder gegeneraliseerde kustlijnen en meer rivieren (Niermeyer was fel tegen een te sterke 'schematisering' [31]). De accurate informatie over de stoomvaartlijnen was ongetwijfeld afkomstig van A. Voogd, redacteur van het Rotterdamse blad Scheepvaart, die ook jarenlang de stille kracht was achter de kaart Koloniën en wereldverkeer in De Grote Bosatlas. Geheel voor Niermeyers rekening is natuurlijk de nieuwe inzet Nederlandsch-Indië. Belangrijkste passagiers- en goederendiensten naar, van en tusschen Nederlandsch-Indische havens.

Wandkaartcode WER_WO_V
4. Schoolwandkaart Het wereldverkeer van G.A. [moet zijn G.] Leipoldt en J.F. Niermeyer ([1905], schaal [1:20.000.000], 4 bladen, 147 x 217 cm, collectie Koninklijke Bibliotheek, Den Haag). In het Duitse origineel ontbreekt de inzet Nederlandsch-Indië.

Het wereldverkeer is onweerlegbaar vernieuwend. "Deze wandkaart voorziet in een lang en ernstig gevoelde behoefte voor vele onderwijsinrichtingen", luidde het in een recensie. [32] Maar de afstandswerking is helaas slecht en nog typisch 19de-eeuws. [33] De Duitse kartograaf H. Haack merkte al de 'erdrückende Überfülle' van Leipoldts wandkaart op [34], en het is maar goed dat Haack Niermeyers uitgebreide versie niet gezien heeft. De genoemde Bosatlaskaart Koloniën en wereldverkeer is duidelijker doordat veel minder stoomvaartlijnen zijn aangegeven en bovendien alle buitenlandse lijnen dezelfde kleur hebben. Het grote formaat van de op een afstand te gebruiken schoolwandkaart heeft Niermeyer blijkbaar ten onrechte het idee gegeven dat hij veel meer gegevens kon opnemen dan op de schoolatlaskaart.

ER IS IETS MIS MET DE KAARTEN VAN ONS LAND

In 1965 staat er in het Geografisch Tijdschrift een opmerkelijk artikel van de hierboven al genoemde Schokkenkamp, "decennia lang een der weinige Nederlandse geografen die op kartografisch terrein tot oordelen bevoegd was." [35] Hij is niet te spreken over het beeld van Nederland in schoolatlassen en op schoolwandkaarten: "Sedert een 80 jaar of langer beheerst de geologie of beheersen de grondsoorten de provinciekaarten. … Wat we [in Nederland] zien is de begroeiing, heden in ons land nagenoeg uitsluitend het werk van de mens, maar geen zeeklei, geen beekbezinking of veen [zoals op de grondsoortenkaarten]. … Men moet tot de conclusie komen, dat er iets mis is met de kaarten van ons land. … Het is wel merkwaardig dat van sociaalgeografische kant, welke de mens in de aardrijkskunde centraal stelt, nog nooit, tenminste buiten mijn weten, pogingen zijn ondernomen een geheel ander type kaarten te scheppen." [36] Uit de rest van dit steekhoudende artikel blijkt dat Schokkenkamp de grondsoortenkaarten wil vervangen door meer 'naturnahe' bodemgebruikkaarten, maar dan heeft hij toch over het hoofd gezien dat er op het gebied van schoolwandkaarten (door hun zeldzaamheid vaak in het vergeetboek geraakt) al diverse inspanningen in die richting waren ondernomen. [37]

Wandkaartcode NED_WO_U
5. Schoolwandkaart Nederland van U.D. Keiser ([1904], schaal 1:175.000, 6 bladen, 177 x 149 cm). De kleuring is naar het bodemgebruik en niet naar de grondsoorten.

Een van de eerste toepassingen van een "nieuw systeem, het verlaten van den geologischen grondslag voor het gebruik van den bodem" [38] betreft de Kaart van Drente van J.J. Westenbrink, een onderwijzer in Ruinen, en H. Blink. Deze in 1901 bij boekhandel C. Pet in Hoogeveen verschenen wandkaart (schaal 1:50.000) kreeg lovende recensies, maar de meest enthousiaste reactie was van Niermeyer, die het als de beste provinciewandkaart bestempelde: "Dit is een allerbelangrijkste kaart, gekleurd niet naar de grondsoorten, als de meeste, maar naar de begroeiing." [39] Zijn enthousiasme ligt voor de hand. "The land-use map approaches the problem from the human view", volgens de Amerikaanse kartograaf E. Raisz [40], en dat zal Niermeyer hebben aangesproken. Zijn belangstelling voor bodemgebruik blijkt ook uit een verslag van hem van een landbouwtentoonstelling: "De totale ommekeer van de toestand [van heide, zandstuivingen en duinen naar bos, bouwland en grasland] is een gebeurtenis van de grootste beteekenis." [41] En als er dan in 1904 als eerste opvolger van Westenbrinks kaart bij Wolters een wandkaart van Nederland verschijnt met als "nieuw denkbeeld het gebruik van de bodemoppervlakte" [42] (afb. 5), dan zal daar Niermeyer, de spin in het web, achter gezeten hebben. Helaas is het niet gelukt dat laatste waterdicht te bewijzen. De correspondentie tussen Wolters, Niermeyer en de enige auteur van deze wandkaart, U.D. Keiser, een leraar aardrijkskunde en geschiedenis aan de Rijkskweekschool in Groningen, had uitsluitsel gegeven, maar is, zoals gezegd, verdwenen. We zullen daarom maar niet verder uitweiden over deze vernieuwende en te complexe (liefst 17 bodemgebruiksymbolen) wandkaart. [43] Daarbij komt dat een volgende bijzondere wandkaart zich alweer aandient.

PLASTIK IST TRUMPF!

Er zijn van die kaarten die opeens zo sterk afwijken van hun voorgangers, dat ze uit het niets lijken te komen. Het geldt bijvoorbeeld voor de Nieuwe schoolkaart van Palestina. De twee auteurs waren ds. G.H. Bleeker, een 'predikant te Welsrijp en Bajum', en H. Marwitz, een 'hoofd der school te Tjamsweer'. Hun bij Wolters verschenen Schoolkaart van Palestina uit 1890 is een degelijk maar wat saai stuk werk, en het landschap komt door de zeer eenvoudige schrapjes niet tot leven (afb. 6). Tot zover is er niet veel nieuws onder de zon. Echter, hun Nieuwe schoolkaart van Palestina (Wolters, 1904) is een indrukwekkende wandkaart met een springlevend, plastisch vormgegeven landschap (afb. 7). En dit zou van dezelfde Bleeker en Marwitz zijn? Ja, zo staat het op de kaart, maar het ligt toch wat ingewikkelder.

Wandkaartcode GOD_WO1S
6. Schoolkaart van Palestina van G.H. Bleeker en H. Marwitz ([1890], schaal 1:247.000, 6 bladen, 148 x 114 cm, collectie Koninklijke Bibliotheek, Den Haag). De eenvoudige schrapjes geven een pover beeld van het reliëf.

Zoals we bij De Kleine Bosatlas hebben gezien, hechtte Niermeyer veel belang aan een sprekende reliëfweergave: "Zoo schematisch mogelijk? Neen, een kaart moet zoo plastisch mogelijk zijn." [44] Experimenten op dit gebied volgde hij dan ook op de voet. De nieuwe methode van 'bergteekening' in de wandkaartenserie De landen van Europa van R. Noordhoff uit 1899 - zonder hoogtekleuren maar met een sterke reliëfschaduwering - prees hij de hemel in. [45] En ook de daarmee verwante, in Duitsland vanaf de jaren '90 furore makende 'Kuhnertschen Schulwandkarten' ontgingen hem niet: "Bij vele bezoekers wekten de kaarten van Kuhnert bewondering om de reliefachtige bergteekening." [46] Als we nu constateren dat een van de wandkaarten van Kuhnert, Palästina bis zur Zeit Christi, als twee druppels water lijkt op de Nieuwe schoolkaart van Palestina, dat Kuhnerts uitgever Müller-Fröbelhaus in Dresden is (de uitgever van de hierboven besproken Wandkarte des Weltverkehrs) en dat Kuhnert zijn wandkaarten 'in Verbindung mit G. Leipoldt' maakte, dan valt er van alles op zijn plaats. Niermeyer was enthousiast over de wandkaarten van Leipoldt en Kuhnert, en mocht van Müller-Fröbelhaus van twee daarvan Nederlandse bewerkingen maken. Hij bewerkte zelf Het wereldverkeer en heeft Bleeker en Marwitz bereid gevonden de bewerking van de Palestina-kaart uit te voeren. De Nieuwe schoolkaart van Palestina leek uit het niets te komen maar kwam dus op initiatief van Niermeyer gewoon uit Dresden.

Wandkaartcode GOD_WO_G
7. Nieuwe schoolkaart van Palestina van G.H. Bleeker en H. Marwitz ([1904], schaal 1:150.000, 4 bladen, 189 x 124 cm). Het reliëf wordt zeer plastisch weergegeven door schaduwering.

Vreemd en niet zo netjes blijft het wel dat op de Nieuwe schoolkaart van Palestina de naam van Kuhnert niet vermeld wordt. Niermeyer heeft de naam van Leipoldt op Het wereldverkeer toch ook niet vergeten. Bleeker en Marwitz waren natuurlijk kleine experts op het gebied van Palestina, en hebben weliswaar aan de reliëfweergave en het uiterlijk van het Duitse origineel (exemplaar in de Deutsche Nationalbibliothek, Leipzig) niets veranderd, maar hebben wel zitten sleutelen aan de kaartinhoud (namen van de twaalf stammen niet voluit geschreven maar aangegeven met Romeinse cijfers; dikke rode grenzen van Judea, Samaria, Galilea en Perea weggelaten; dunne rode lijnen voor de 'staatkundige grenzen ten tijde van Christus' toegevoegd; kleinere plaatsen weggelaten). Door dergelijke aanpassingen zullen de auteurs de kaart als een eigen product zijn gaan beschouwen, en kon de naam van Kuhnert worden weggemoffeld. Daarom zullen we hem nu alsnog de aandacht geven waar hij recht op heeft. Dat maakt meteen duidelijk wat Niermeyer in de kaarten van Kuhnert aantrok.

De noodzaak van aanschouwelijkheid bij het aardrijkskunde-onderwijs werd in de tweede helft van de 19de eeuw steeds meer erkend. In dezelfde periode maakte ook de lithografie de opkomst van de reliëfschaduwering mogelijk, en dat zou het einde inluiden van de minder aanschouwelijke schrapjesmethode: "Die Tage der Schraffen sind gezählt." [47] Er is vooral in Duitsland nog veel gesteggeld of daarbij loodrechte belichting of schuine belichting moest worden gebruikt, maar in de 20ste eeuw zou 'Schräglichtschummerung' als overwinnaar uit de bus komen. Twee pioniers in het aardrijkskunde-onderwijs van de schaduwering met schuine lichtinval waren vanaf de jaren '90 H. Harms - van wie het motto 'Plastik ist Trumpf [troef]' afkomstig is - en een 'Realschuloberlehrer' in Chemnitz, M. Kuhnert: "die geschworenen Feinden der Schraffen, an deren Spitze Kuhnert und Harms marschieren." [48] Speelde gekleurde hoogtezones bij Harms nog een grote rol, bij Kuhnert is de reliëfwerking vooral gebaseerd op licht- en schaduwtinten van één grijs-bruine kleur (afb. 8). En daarbij geldt: hoe hoger, hoe lichter bij belichte bergzijden en bij vlakten, en hoe donkerder bij onbelichte bergzijden. Alleen voor het reliëfarme laagland werden de traditionele groene en gele hoogtezones gebruikt. De schoolwandkaarten en schoolhandkaarten van Kuhnert hadden in Duitsland veel succes, en er is eindeloos over geredetwist. De rode draad in de kritiek was meestal: 'Anschaulichkeit' ongekend maar 'Richtigkeit' onvoldoende.

Wandkaartcode GOD_WO_G
8. Fragment van de Nieuwe schoolkaart van Palestina van G.H. Bleeker en H. Marwitz. Heuvels en bergen worden weergegeven door licht- en schaduwtinten van één grijs-bruine kleur.

Kuhnert gebruikte een theorie van Wiechel uit 1878 om zijn methode te rechtvaardigen, maar dan zijn kleuren voor het laagland in feite een inconsequentie. [49] In Wiechels theorie wordt de schaduwering met scheve belichting wiskundig beschreven. Hij leidt daarbij een formule af om de helderheid van een willekeurig punt van een schuin belicht, onregelmatig gevormd oppervlak te berekenen. Een strikte toepassing van deze theorie levert voor het laagland ook een bepaalde helderheid op, en sluit het gebruik van hoogtekleuren uit. Maar zo serieus moet men deze theorie niet nemen, aangezien de Zwitserse kartograaf Imhof later zal verklaren dat Wiechels theorie onhoudbaar en in de praktijk zinloos is. [50] En in zijn monumentale Die Kartenwissenschaft beweert Eckert dat deze theorie er alleen maar bij gesleept is door Kuhnert "um ihnen einen gewissen wissenschaftlichten Nimbus zu verleihen". [51] In die tijd zonder computers zou het ook ondoenlijk zijn geweest alle licht- en schaduweffecten uit te rekenen. Nee, Kuhnert gebruikte geen wiskundig model maar zijn model was een schuin belicht gipsreliëf van het te tekenen gebied. Of in zijn eigen woorden: "Stellt man das Relief senkrecht auf und läßt das Licht von schräg links oben einfallen, so kann das Relief als deutlichste Vorlage für die Einzeichnung der Licht- und Schattentöne dienen." [52] Mogelijk heeft hij ook foto's van belichte gipsreliëfs gebruikt (fotografische schaduwering). Het is onbekend hoe de gipsreliëfs zijn vervaardigd (reliëffreesmachine? [53]), maar het moet een bewerkelijke, stoffige klus zijn geweest. In ieder geval had de naam van Kuhnert, een pionier van licht-en schaduweffecten in de kartografie, op de Nieuwe schoolkaart van Palestina echt niet mogen ontbreken. Hier had Niermeyer moeten ingrijpen.

EEN JEUGDIG ENTHOUSIASME

Niermeyer gebruikte in zijn geschriften vaak termen als 'jeugdige moed' en 'jeugdige energie'. Het moet wel iets zijn dat hij in zichzelf herkende. Postuum werd het ook opgemerkt: "Hij had een benijdenswaardig temperament, dat hem jong en frisch hield." [54] Met 'jeugdige voortvarendheid' is hij ook in 1902 bij Wolters als opvolger van P.R. Bos gestart met zijn werkzaamheden aan leerboeken, schoolatlassen en schoolwandkaarten. Hij moet daar op geografisch en kartografisch gebied een spilfunctie hebben verkregen. De Atlas voor de volksschool en de wandkaarten uit het eerste decennium dragen duidelijk het stempel van Niermeyer en waren grensverleggend: aandacht voor economische aspecten (verkeer, bodemgebruik), een plastische reliëfweergave en een esthetisch kleurgebruik. Na de dood van P.R. Bos werd gewaarschuwd: "Waarlijk, een zware taak staat hem te wachten, die geroepen zal worden de plaats van Bos als leeraar in te nemen, in zijn voetsporen het aardrijkskundige onderwijs verder te leiden." [55] Dankzij 'een jeugdig enthousiasme' heeft Niermeyer deze taak vol verve volbracht.



Noten

T.A.G.: Tijdschrift van het (Koninklijk) Nederlandsch Aardrijkskundig Genootschap (Tweede serie)

-1. Zondervan, H., Pieter Roelof Bos †. In: T.A.G. XIX (1902), deel 2, blz. 855.
-2. H. Blink, Een herinnering aan P.R. Bos als geograaf. In: Vragen van den Dag XVII (1902), blz. 482.
-3. Prakken, B.P., De internationale tentoonstelling van aardrijkskundige leermiddelen te Amsterdam. In: De Vacature 18 no. 6 (1902/1903), blz. 1.
-4. Amsterdamsche brieven. In: De Sumatra Post, 13-8-1902, blz. 1.
-5. Niermeyer, J.F., De tentoonstellingen in Antwerpen en in Amsterdam. In: T.A.G. XIX (1902), deel 2, blz. 856-869.
-6. Vermooten, W.H. (1941), De mens in de geografie. Assen: Van Gorcum & Comp., blz. 191.
-7. Sebus, J.H., Herinnering aan J.F. Niermeyer (1866-1923). In: T.A.G. XLI (1924), blz. 57-66.
-8. Pater, B. de (1999), Een tempel der kaarten. Utrecht: Faculteit Ruimtelijke Wetenschappen, blz. 35.
-9. Ormeling sr., F.J., Honderd jaar Bosatlas. In: Kartografisch Tijdschrift III no. 4 (1977), blz. 18.
-10. Pater 1999, blz. 12.
-11. Brink, P. van den (2010), Dienstbare Kaarten. Houten, Hes & De Graaf, blz. 109-110; Schrader, R., Honderd jaar Koninklijk Nederlands Aardrijkskundig Genootschap 1873-1973. In: K.N.A.G. Geografisch Tijdschrift VIII no. 4 (1974), blz. 33.
-12. Niermeyer, J.F., Penck over de taak der geografie. In: T.A.G. XXIV (1907), deel 2, blz. 1067.
-13. Pater, B. de, Strijd tussen Amsterdamse en Utrechtse geografen. In: Geografie 3 no. 6 (1994), blz. 38.
-14. Pater, B. de en H. van der Wusten (1996), Het geografische huis: De opbouw van een wetenschap. Bussum: Dick Coutinho, blz. 113.
-15. Buursink, J. (1998), Nederland in geografische handen: Honderd jaar regionale geografie van Nederland. [Utrecht], K.N.A.G., blz. 1.
-16. Niermeyer, J.F., Zur Geschichte der Kartographie Hollands in den drei vorigen Jahrhunderten. In: Acta Cartographica 18 (1974), blz. 226-255 (herdruk van artikel uit 1893).
-17. Brink, P. van den, De voorgeschiedenis van de Atlas van Tropisch Nederland 1905-1938. In: Gestel-van het Schip, P. van, et al. (ed.) (2007), Mappae Antiquae: Liber amicorum Günter Schilder. 't Goy-Houten, Hes & De Graaf, blz. 535.
-18. Koeman, C. en H.J.A. Homan (1985), Atlantes Neerlandici: Volume VI. Alphen aan den Rijn: Canaletto, blz. 109.
-19. Ormeling, F.J. en R.J.F.M. van der Vaart (2005), Biografie van de Bosatlas (1877-heden). Groningen: Wolters-Noordhoff, blz. 36.
-20. Niermeyer 1902, blz. 868.
-21. Koeman 1985, blz. 121.
-22. Ormeling, F.J., In memoriam Jacob Schokkenkamp. In: K.N.A.G. Geografisch Tijdschrift IV no. 1 (1970), blz. 83.
-23. Schokkenkamp, J., De 50ste Bos-Van Balen. In: Geografisch Tijdschrift 17 (1964), blz. 73.
-24. Niermeyer 1902, blz. 863.
-25. Braak, K., Professor J.F. Niermeyer †. In: Tijdschrift voor het Onderwijs in de Aardrijkskunde 1 (1923), blz. 83.
-26. Niermeyer 1902, blz. 863.
-27. Niermeyer, J.F., Schoolkaart van Insulinde. In: T.A.G. XVI (1899), blz. 363-364.
-28. Niermeyer, J.F., De aardrijkskunde buitengesloten. In: T.A.G. XXIV (1907), deel 1, blz. 70.
-29. Thorbecke, F., Der XIV. deutsche Geographentag in Köln. In: Geographische Zeitschrift 9 (1903), blz. 407.
-30. Wauer, A. (1905), Soziale Erdkunde: IV Europa. Leipzig [etc.]: Müller-Fröbelhaus, advertentiebijlage.
-31. Niermeyer 1902, blz. 865.
-32. J.B.R., Het wereldverkeer. In: T.A.G. XXIII (1906), deel 1, blz. 349.
-33. Brink, L.E.S., Van kaart aan de wand naar wandkaart: Generalisering van schoolwandkaarten vanaf 1840. In: Geo-Info 8 no. 7/8 (2011), blz. 24-30.
-34. Haack, H., Die Fortschritte der Kartenprojektionslehre, Kartenzeichnung und -Vervielfältigung, sowie der Kartenmessung für 1906-08. In: Geographisches Jahrbuch XXXIII (1910), blz. 188-189.
-35. Ormeling 1970, blz. 83.
-36. Schokkenkamp, J., Nederland op de kaarten van onze schoolatlassen en op de schoolwandkaarten. In: Geografisch Tijdschrift 18 (1965), blz. 137-139.
-37. Brink, L.E.S. en L.M.A. Holl (2010), De wereld aan de wand: De geschiedenis van de Nederlandse schoolwandkaarten. Zwolle: Waanders, blz. 46-49.
-38. S[chuiling], R., Kaart van Drente. In: Tijdschrift voor Geschiedenis, Land- en Volkenkunde 17 (1902), blz. 240.
-39. Niermeyer 1902, blz. 866.
-40. Raisz, E., Landform, landscape, land-use, and land-type maps. In: The Journal of Geography XLV (1946), blz. 89.
-41. Niermeyer, J.F., Herschepping van den Nederlandschen bodem. In: T.A.G. XXIV (1907), deel 2, blz. 1078.
-42. Beekman, A.A., Nederland [van] U.D. Keiser. In: T.A.G. XXII (1905), deel 1, blz. 381.
-43. Een kritische en deskundige bespreking geeft A.A. Beekman in T.A.G. XXII (1905), deel 1, blz. 381-383.
-44. Niermeyer 1902, blz. 865-866.
-45. Brink, L.E.S., Reliëf op schoolwandkaarten rond 1900: De diepe kloof tussen pedagoog en cartograaf. In: Geografie 16 no. 9 (2007), blz. 30-33.
-46. Niermeyer 1902, blz. 862.
-47. Trunk, H. (1902), Die Anschaulichkeit des geographischen Unterrichtes. Wien [etc.]: Graeser [etc.], vierde druk, blz. 78.
-48. Haack, H., H. Harms' Schulwandkarte von Deutschland. In: Geographischer Anzeiger 1 (1900), blz. 19.
-49. Zöppritz, K. en A. Bludau (1899-1908), Leitfaden der Kartenentwurfslehre. Leipzig: Teubner, tweede deel: Kartographie und Kartometrie, blz. 60; Groll, M. en O. Graf (1922-1923), Kartenkunde. Berlin [etc.]: Walter de Gruyter, tweede deel: Der Karteninhalt, blz. 34 en 119.
-50. Imhof, E. (1965), Kartographische Geländedarstellung. Berlin: Walter de Gruyter, blz. 202.
-51. Eckert, M. (1921-1925), Die Kartenwissenschaft. Berlin [etc.]: Walter de Gruyter, eerste deel, blz. 494.
-52. Kuhnert, M., Über den Wert des Reliefs und der reliefartig gezeichneten Karten. In: Neue Bahnen Leipzig 19 no. 5 (1907/1908), blz. 230.
-53. Imhof, E. (1965), Kartographische Geländedarstellung. Berlin: Walter de Gruyter, blz. 230.
-54. N.N., J.F. Niermeyer †. In: De Telegraaf 3-12-1923, avondblad, tweede blad, blz. 5.
-55. Zondervan, H., Pieter Roelof Bos †. In: T.A.G. XIX (1902), deel 2, blz. 855.

Summary

P.R. Bos is dead, long live J.F. Niermeyer!
A new cartographic note was struck at publishing-firm Wolters

In 1902 the widely renowned author of geographic text-books, school atlases and school wall maps, P.R. Bos, deceased unexpectedly. His publisher, market leader Wolters, quickly appointed J.F. Niermeyer, a teacher of geography with a passion for cartography, as his successor. Niermeyer set off energetically and soon achieved at Wolters a pivotal role with regard to the geographical and cartographical publications. Several of these innovative publications are discussed to show the distinct mark Niermeyer left upon them: attention to economic features (like traffic and land-use), a plastic representation of the relief (particularly by oblique hill shading) and an aesthetic use of colours.


homepage
De Wereld aan de Wand
foto-overzicht
Collectie De Wereld aan de Wand
informatie
(school)wandkaarten
Museum aan de Wand