gepubliceerd in: Caert-Thresoor, 34 (2015), nr. 3, p. 115-124

Antiquariaat  De Wereld aan de Wand

homepage
De Wereld aan de Wand
foto-overzicht
Collectie De Wereld aan de Wand
informatie
(school)wandkaarten
Museum aan de Wand

XXV
De geschiedeniswandkaart:
Het nakomertje van de Nederlandse schoolkartografie


door Lowie Brink

Aardrijkskundige en geschiedkundige schoolwandkaarten waren beide nieuwe leermiddelen in het 19de-eeuwse onderwijs. Maar terwijl de eerste categorie al vanaf de jaren 1840 sterk in opkomst was, bleef de geschiedkundige schoolwandkaart tot 1908 een zeldzaamheid in de scholen. In dit artikel schetsen we de achtergronden van dit verschil.

Een grafische weergave van het aantal uitgegeven aardrijkskundige schoolwandkaarten als functie van de tijd wordt gegeven in de Bibliografie en foto-overzicht van de Nederlandse schoolwandkaarten (1801-1975). [1] Recentelijk heeft de auteur ook de geschiedkundige schoolwandkaarten bibliografisch beschreven in een supplement [2], waardoor het nu mogelijk is geworden het aantal uitgegeven aardrijkskundige en geschiedkundige schoolwandkaarten met elkaar te vergelijken (afb. 1). In de grafiek valt allereerst op dat er veel meer aardrijkskundige wandkaarten zijn uitgegeven dan geschiedkundige. Bovengenoemde bibliografie vermeldt dan ook 1092 aardrijkskundewandkaarten, terwijl in het supplement slechts 83 geschiedeniswandkaarten staan beschreven. Tot circa 1850 zijn Nederlandse geschiedeniswandkaarten een onbekend fenomeen. In de periode 1850-1900 worden er slechts vier uitgegeven, terwijl in deze jaren de aardrijkskundewandkaarten juist sterk in opkomst zijn. Pas in de jaren 1900 breken de geschiedeniswandkaarten door, maar liefst 60 jaar na de doorbraak van aardrijkskundewandkaarten (jaren 1840). In de 20ste eeuw verschijnen er in bijna elk decennium wel geschiedeniswandkaarten, maar het aantal blijft beperkt. De late verschijning vraagt om een verklaring. Aangezien geschiedkundige schoolwandkaarten zijn voortgekomen uit het contact tussen geschiedenisonderwijs en geschiedeniskartografie, richten we ons eerst op deze twee gebieden.

Wandkaartcode GES_BQ_F
1. Het aantal uitgegeven schoolwandkaarten per decennium in de periode 1800-1980; blauw: aardrijkskundige schoolwandkaarten, groen: geschiedkundige schoolwandkaarten.

EEN KORTE GESCHIEDENIS VAN HET GESCHIEDENISONDERWIJS

Het schoolvak geschiedenis heeft in de paar eeuwen van zijn bestaan steeds last gehad van het stigma van onnut. In tegenstelling tot veel andere schoolvakken "heeft het onderwijs in de geschiedenis weinig rechtstreeksch nut voor 't leven" en "moet het in belangrijkheid bij de meeste andere vakken achterstaan." [3] Het zou kunnen verklaren waarom de "geschiedenis van het Nederlandse geschiedenisonderwijs een verwaarloosde zaak is" [4] en er een "geringe didactische belangstelling is voor het geschiedenisvak in Nederland [tot 1945]." [5] Didactische geschiedenishandboeken verschenen dan ook pas in 1965 voor de lagere school [6] en in 1976 voor het voortgezet onderwijs. [7] Het nu volgende korte chronologische overzicht van het Nederlandse geschiedenisonderwijs geeft een indruk van de daarmee gepaard gaande moeizame ontwikkelingen en richtingenstrijd. Maar het laat ook zien dat er desondanks toch steeds weer onderwijzers, leraren en historici opstonden die zich sterk hebben gemaakt voor het geschiedenisvak, en die blijkbaar het (indirecte) nut van geschiedenisonderwijs wel inzagen.

Dankzij de humanistische eis tot kennis van het verleden kwam het onderwijs in de geschiedenis in de 16de eeuw in de belangstelling te staan. Melanchthon stelde een geschiedenisleerboek samen, Comenius bedacht een leerplan voor geschiedenis en Luther prees het geschiedenisonderwijs aan. Maar het bleef vooralsnog zonder praktische gevolgen. Op de volksscholen werd geschiedenis in de 17de en 18de eeuw niet of beperkt onderwezen. Als er al geschiedenisleesboekjes werden gebruikt (afb. 2), dan waren het vaak niet meer dan "verzamelingen van afschuwelijkheden in woord en beeld". [8] Alleen op de duurdere Franse en Latijnse scholen kreeg in de 18de eeuw geschiedenis meer aandacht, waarbij het geleidelijk van een vertel- en leesvak veranderde in een leer- en memoriseervak. Maar net zoals bij het aardrijkskunde-onderwijs is er van systematisch onderwijs in de geschiedenis vóór de 19de eeuw geen sprake. [9] Daarvoor was het wachten op landelijke onderwijswetten en filantropische maatschappijen.

Wandkaartcode GES_BQ_F
2. Titelpagina van het geschiedenisleesboek Nieuwe spiegel der jeugd, of Franse tiranny (editie uit 1738, Bijzondere Collecties, Universiteitsbibliotheek UvA, Amsterdam).

In tegenstelling tot de 'Franse tiranny' uit de 17de eeuw hebben we aan de 'Franse tijd' rond 1800 diverse vernieuwingen te danken. De onderwijswetten van 1801, 1803 en 1806 zijn daar voorbeelden van. De in 1784 opgerichte en door verlichtingsidealen gedragen Maatschappij tot Nut van 't Algemeen (kortweg: 't Nut) was de grote stimulerende kracht hierachter. In de wet op het lager onderwijs van 1806 werden aardrijkskunde en geschiedenis als facultatieve vakken toegelaten, maar vanaf 1791 was 't Nut al bezig met de uitgave van een serie van succesvolle en relatief kindvriendelijke geschiedenisboekjes, zoals de Levensschetsen van vaderlandsche mannen en vrouwen (1791) en het vaak herdrukte Schoolboek der geschiedenissen van ons Vaderland van H. Wester (1801). Maar ondanks al deze initiatieven bleef het tobben met de status en de kwaliteit van het geschiedenisonderwijs. Pas in de tweede helft van de 19de eeuw zou het zorgenkind onder de schoolvakken zich eindelijk gaan ontplooien.

Na de komst van de onderwijswet van 1857 was het gedaan met de vrijblijvendheid: geschiedenis werd verplicht op de lagere scholen. Ook op de in 1863 opgerichte en spoedig niet meer weg te denken hogereburgerschool was algemene en -in beperkte mate- vaderlandse geschiedenis verplichte kost. En ten slotte werd in 1878 afgesproken dat de lagere school zich zou bepalen tot de vaderlandse geschiedenis. Deze nieuwe situatie dwong de onderwijswereld eens goed na te denken over het geschiedenisvak: "Omstreeks 1870 ontwaakt belangstelling voor de wijze, waarop dit vak moet onderwezen worden." [10] Het bleek zelfs het begin van "een ontplooiing van het geschiedenisonderwijs als nooit eerder is vertoond." [11] Natuurlijk bleven er sceptici bestaan die het geschiedenisvak op de lagere school liever helemaal hadden afgeschaft: "Al dit ijverig zoeken naar verbetering van het geschiedenisonderwijs is ijdel: de leerstof van dit vak ligt grootendeels buiten den gezichtskring van het kind." [12] Maar gezien het grote aantal nieuwe methoden vanaf 1880 bleef de meerderheid van onderwijzers en leraren in het vak geloven.

EEN KORTE GESCHIEDENIS VAN DE GESCHIEDENISKARTOGRAFIE

De wedergeboorte van de klassieke oudheid tijdens de Renaissance liet ook kartografen niet onberoerd. A. Ortelius verdiepte zich in het werk van de klassieke auteurs en voegde een atlas van de antieke wereld Parergon (1579-1598) toe aan zijn wereldatlas. Hij wordt hierdoor wel beschouwd als grondlegger van de geschiedeniskartografie. Ortelius zou later in de 17de eeuw op het gebied van geschiedeniskaarten worden opgevolgd door Ph. Cluverius, J. Janssonius en de Groningse burgemeester en amateur-historicus M. Alting. Hun werk - voornamelijk op het gebied van antieke en bijbelse geschiedenis - draagt echter de sporen van de povere stand van de geschiedeniswetenschap in de 17de eeuw en een weinig kritische instelling van de kaartauteurs. In de loop van de 18de eeuw kwam er echter geleidelijk verbetering in deze situatie. J.M. Hase in Duitsland en vooral J.-B. Bourguignon d'Anville in Frankrijk waren de eersten die geschiedeniskaarten maakten op basis van een kritische analyse van de geschiedenisbronnen. Het was nog maar een voorproefje van wat de 19de eeuw zou gaan brengen.

Was er sinds Ortelius sprake van een geleidelijke ontwikkeling van de geschiedeniskartografie, vanaf circa 1800 zouden er "umwälzende Veränderungen" optreden. [13] De 19de eeuw kan dan ook beschouwd worden als "das klassische Zeitalter der Geschichtskartographie". [14] De vraag naar geschiedeniskaarten nam sterk toe door "der Aufschwung der Geschichtswissenschaft, das wachsende Interesse an der Geschichte sowie der Ausbau der Schul- und Bildungswesen". [15] Geschiedeniskartografie werd hierdoor de eerste tak van de thematische kartografie waarvan de kaarten op grote schaal zouden worden toegepast. Als voorbeeld kan het werk van de Duitse hoogleraar C. Kruse genoemd worden. Zijn Atlas zur Übersicht der Geschichte aller europäischen Länder und Staaten (1802-1818) is niet alleen bijzonder omdat de middeleeuwse en nieuwe geschiedenis nu eens eindelijk alle aandacht krijgen. Maar deze atlas is ook vernieuwend omdat alleen kaarten gegeven worden van geheel Europa op dezelfde schaal en steeds met intervallen van honderd jaar (het jaar 400, 500, etc.), zodat op een bijna filmische wijze een "Überblick des Ganzen" verkregen wordt. [16] Naast de Duitse speelt ook de Franse geschiedeniskartografie een rol van belang. Te denken valt aan de succesvolle Atlas historique, généalogique, chronologique et géographique (1802-1804) van E. de Las Cases, waarin de antieke geschiedenis ook maar weinig ruimte krijgt toebedeeld en de kaarten door een sterke vereenvoudiging duidelijk spreken. [17] In 1837 zou echter in Gotha een fenomeen opstaan waar de Fransen voorlopig geen antwoord op hadden: K. Spruner von Mertz (1803-1892) of kortweg - zoals op zijn atlas staat vermeld - K. von Spruner.

Deze Beierse luitenant, historicus en kartograaf zou bij 'Kartenverlag' Justus Perthes een geschiedenisatlas laten uitgeven die "alles, wat tot heden [1851] verschenen is, overtreft" [18], en die zowel een voorbeeld als een kaartbron zou worden voor veel auteurs van geschiedeniskaarten: de Historisch-geographischer Hand-Atlas (1837-1853). Het succes van deze atlas deed uitgever en Von Spruner besluiten ook een voor scholen geschikte versie te vervaardigen: Historisch-geographischer Schul-Atlas (1856). De voor de handatlas benodigde informatie betrok Von Spruner uit een groot aantal wetenschappelijke bronnen, of zoals het in zijn voorwoord staat vermeld: "Ein historischer Atlas kann und muss wie eine gute Geschichte nur aus den Quellen selbst bearbeitet werden." Deze atlas werd in de geschiedeniskartografie even beroemd en berucht (vanwege het overladen kaartbeeld, afb. 3) als die andere coryfee uit de stal van Justus Perthes - Stielers Hand-Atlas - in de niet-thematische kartografie. Hij zou later in de 19de eeuw een lichtend voorbeeld zijn voor andere beroemde geschiedenishandatlassen (Spruner-Menke, Droysen-Andree, Schrader). Maar hoe stonden de zaken er in Nederland voor?

Wandkaartcode GES_BQ_F
3. Fragment van Ober und Mittel Italien unter den Hohenstaufen in de Historisch-geographischer Hand-Atlas zur Geschichte der Staaten Europa's, etc. van K. von Spruner (1854, 2e editie). Ondanks de overlading zijn de kaarten van deze atlas vaak als bron voor andere geschiedeniskaarten gebruikt.

Veel minder florissant, althans in de eerste helft van de 19de eeuw. In 1851 werd dan ook verzucht: "Terwijl andere beschaafde volkeren, vooral de Duitschers en Franschen, in bezit zijn van historische atlassen, de zoodanigen [van Nederland] bij ons nog gemist worden." [19] België had sinds 1831 een Atlas des Pays-Bas van P.C. Vander Elst, maar "Noord-Nederlanders zijn [in 1843] altijd nog aan het onderzoeken of de mogelijkheid zoude kunnen geboren worden, dat zij met der tijd eens iets zouden kunnen zamenstellen, dat naar een' geschiedkundigen atlas voor ons land geleek." [20] Deze uitspraak is afkomstig van Mr. G. Mees Az. (1802-1883). Hij zou de 'Noord-Nederlanders' eindelijk voorzien van een Historische atlas van Noord-Nederland van de XVI eeuw tot op heden (1851-1865), die later beoordeeld zou worden als "een atlas van Europees formaat" en "het pronkstuk van de Nederlandse atlaskartografie uit de 19de eeuw". [21] Mees was advocaat in Rotterdam tot hij in 1839 als hoogleraar werd benoemd in de Nederlandse taal- en letterkunde en in de vaderlandse geschiedenis aan het Athenaeum in Deventer. Zijn intreerede uit 1840 Over het belang eener grondige beoefening der bronnen van onze geschiedenis laat al zien waar zijn belangstelling naar uit ging. In 1847 nam hij ontslag om zitting te nemen in de arrondissementsrechtbank in Rotterdam, en wellicht ook om meer tijd vrij te kunnen maken voor zijn levenswerk, de hierboven genoemde atlas. Alleen al de uitgebreide en erudiete beschrijvingen die bij elk van de veertien kaarten van deze atlas geleverd werden, maken duidelijk dat er inderdaad veel tijd is geïnvesteerd in deze "vrucht van langdurig en ijverig onderzoek". [22] De kritische bronnenstudie doet denken aan het werk van Von Spruner, over wie Mees dan ook hoog opgeeft. De meester in de rechten toonde zich verder een meester in de beperking: de kaarten beslaan alleen de periode 1530-1860. De kaarten staan kwalitatief op een hoog niveau: fraaie en duidelijke litho's van een groot formaat (36 x 43 cm) en zorgvuldig met de hand gekleurd (afb. 4). Ook de inleiding (28 bladzijden, 1851) bij deze atlas is bijzonder. Die bevat allereerst een tot op vandaag waardevol, kartobibliografisch overzicht van veel belangrijke geschiedkundige atlassen en kaarten die voor 1850 in Europa verschenen zijn. Bovendien worden deze atlassen en kaarten zeer vakkundig en kritisch besproken, waarmee Mees blijk geeft een kenner te zijn van de thematische kartografie en gerekend kan worden tot "een van de eerste Nederlandse beoefenaren van de wetenschappelijke kartografie". [23]

Wandkaartcode GES_BQ_F
4. Noord-Nederland in 1648, de gevestigde Republiek der Vereenigde Nederlanden in de Historische atlas van Noord-Nederland van de XVI eeuw tot op heden van G. Mees Az. (1851-1865, 36 x 43 cm). De kaarten in deze atlas zijn zo vaak als bron gebruikt dat de atlas als de Nederlandse variant van Von Spruners atlas kan worden beschouwd.

Mees kan dus als het Nederlandse antwoord op Von Spruner worden beschouwd en zijn atlas (1851-1865) is in Nederland een kentering in de productie van geschiedeniskaarten: kaarten van de Nederlandse geschiedenis (over de periode 1530-1860) uit de tweede helft van de 19de eeuw hebben dan ook meestal de atlas van Mees als kaartbron. Voor kaarten van de algemene geschiedenis veranderde er echter niets: men bleef hiervoor doorgaans Duitse of Franse kaartbronnen gebruiken. Hoewel Mees wenste dat zijn atlas "dienstig moge zijn bij het onderwijs" [24] bleek de atlas (inclusief kaartbeschrijvingen) - evenals Von Spruners handatlas - voor schoolgebruik echter ongeschikt: te kostbaar en te wetenschappelijk. Indirect is de wens van Mees echter wel in vervulling gegaan: talloze geschiedkundige schoolatlassen (van Huberts (afb. 5), Dozy, De Bont, Hettema en anderen [25]) en schoolwandkaarten zijn gebaseerd op zijn kaarten. Pas door een volgende kentering in de Nederlandse geschiedeniskartografie zou het werk van Mees uit het zicht raken. Het veelgeprezen en door A.A. Beekman getekende standaardwerk Geschiedkundige atlas van Nederland (1913-1938) zou voor veel geschiedeniskartografen in de 20ste eeuw de nieuwe kaartbron worden. De 20ste eeuw had nog meer moderniseringen voor de geschiedkundige (school)atlas in petto: meer eigentijdse geschiedenis, meer buiten-Europese geschiedenis, meer economische en culturele thema's en dynamischer kaarten (bijvoorbeeld door gebruik te maken van pijlen). [26] Ook de geschiedkundige (school)wandkaart kreeg er mee te maken.

Wandkaartcode GES_BQ_F
5. De noordelijke gewesten in 1648; boven: fragment van de in afb. 4 weergegeven atlaskaart van Mees, onder: fragment van Nederland 1648 in de Historisch-geographische atlas der algemeene en vaderlandsche geschiedenis herzien door W.J.A. Huberts (1870, 4e editie, atlaskaart 24 x 26 cm). Er bestaat een zeer sterke overeenkomst tussen de twee fragmenten.

OCHTENDROOD DER GESCHIEDENISWANDKAARTEN

De zon gaat bij onze oosterburen altijd wat eerder op. Het gaat ook op voor geschiedeniswandkaarten. In overzichten van leverbare leermiddelen samengesteld door de 'Vereeniging van Leeraren aan Inrichtingen voor Middelbaar Onderwijs' (1872), door het 'Algemeen Schoolmuseum' in Rotterdam (1879) en door het 'Nederlandsch Schoolmuseum' in Amsterdam (1907) zijn vrijwel alle geschiedeniswandkaarten van Duitse makelij. De wandkaarten van de antieke geschiedenis van H. Kiepert (vanaf circa 1850) worden daarin genoemd, maar ook een serie van tien wandkaarten uit 1856 van de middeleeuwse en nieuwe geschiedenis van C.A. Bretschneider, een leraar aan het 'Realgymnasium' in Gotha. Deze door Justus Perthes uitgegeven Historisch-geographischer Wandatlas is gebaseerd op de handatlas van de hierboven genoemde Von Spruner zowel wat betreft tekening, tijdvakken, nomenclatuur en kleurgeving (afb. 6). Dit zal de belangrijkste reden zijn dat Justus Perthes met deze "bis dahin einmaligen Leistung" ook op het gebied van geschiedeniswandkaarten in de 19de eeuw een leidende rol zou verkrijgen. [27]

Wandkaartcode GES_BQ_F
6. Midden-Europa; boven: fragment van Europa in der Mitte des XVIten Jahrhundert's, Zeitraum der Reformation etc. in de Historisch-geographischer Hand-Atlas zur Geschichte der Staaten Europa's, etc. van K. von Spruner (1854, 2e editie), onder: fragment van de schoolwandkaart Europa zur Zeit der Reformation van C.A. Bretschneider en K. von Spruner ([1856], fragment is één van de negen kaartbladen van de wandkaart, kaartblad 41 x 50 cm, schaal [1 : 4.000.000], collectie Bodel Nijenhuis, Bibliotheek Universiteit Leiden). De overeenkomst tussen deze twee fragmenten wordt versluierd doordat - om onduidelijke redenen en vrij slordig - delen van de wandkaart met waterverf van extra kleuren zijn voorzien (o.m. bruin, grijs en paars).

Ook in Nederland trokken de wandkaarten van Bretschneider de aandacht. De bekende aardrijkskundige en geschiedkundige P.H. Witkamp zag ze in 1860 op een onderwijstentoonstelling en "zou ze aanprijzen voor Nederlandsche scholen zoo ze zonder [Duitse] namen" beschikbaar zouden zijn. [28] De maker van een succesvolle geschiedkundige schoolatlas, A.L. de Bont, schreef in 1893 in het 'Voorbericht' van de eerste druk van deze atlas: "De in ons land veel gebruikte historische wandkaarten van Kiepert en v. Spruner-Bretschneider zijn niet zonder invloed op de samenstelling geweest." [29] Mees had in 1851 alleen een eerste versie uit 1848 van een van de tien wandkaarten gezien - Europa zur Zeit der Reformation, ook vervaardigd door Bretschneider - maar was toch al enthousiast: "Het is te wenschen dat [Bretschneider] dit plan zal vervolgen, dan zou er hoop zijn, dat men die kaarten, ook onveranderd, op onze scholen invoerde, waar niemand er nog aan schijnt gedacht te hebben." [30] Het plan werd vervolgd, maar Nederlandse geschiedeniswandkaarten bleven in de 19de eeuw op Nederlandse scholen vrijwel afwezig.

In de eerste helft van de 19de eeuw werd het gebruik van geschiedeniskaarten bij het geschiedenisonderwijs - in tegenstelling tot tijdrekenkundige kaarten (tijdstroom, tijdbalk) - eenvoudigweg niet overwogen. [31] In de tweede helft van de 19de eeuw begon - onder meer door Duitse invloeden en de opkomst van aardrijkskundige school(wand)kaarten - langzaam het besef te dagen dat lokalisering van historische feiten een noodzakelijk onderdeel moet zijn van het geschiedenisonderwijs. Toch verschenen in die periode maar enkele geschiedenisatlassen [32] en vrijwel geen geschiedeniswandkaarten. Een mogelijke verklaring voor deze langzame introductie van de geschiedeniskaart in het onderwijs kan gevonden worden in de al eeuwen bestaande verbondenheid van geschiedenis en aardrijkskunde: "ze gaan zusterlijk hand aan hand, ze steunen en schragen elkander." [33] Het is dan ook niet verwonderlijk dat aardrijkskundige schoolwandkaarten werden ingezet bij de geschiedenisles: "Men make bij het behandelen der geschiedenis altijd een trouw gebruik van de aardrijkskundige voorstelling op de [aardrijkskundige schoolwand]kaarten, dewijl deze wetenschappen elkander wederkeerig van dienst zijn." [34] De noodzaak om geschiedeniswandkaarten te produceren zal door deze werkwijze minder groot geweest zijn. Bovendien werd deze noodzaak nog kleiner door de praktijk van het toevoegen van geschiedkundige gegevens aan aardrijkskundige schoolwandkaarten (voornamelijk jaartallen en plaatsen van historisch belang, afb. 7). Bij aardrijkskundige atlassen uit de 19de eeuw kwam iets dergelijks ook al voor. Sommige daarvan (bijvoorbeeld van Bakker en Deelstra, Frijlink en Kuyper) bevatten een beperkt aantal geschiedeniskaarten "zodat men zich [bij het geschiedenisonderwijs] in de lagere school meestal wel kan behelpen met enkele schetsen op het bord of enkele geschiedkundige kaartjes in den gewonen [aardrijkskundigen] atlas." [35]

Wandkaartcode GES_BQ_F
7. Fragment (Groningen en omgeving) van een 'proef van bewerking' van de Schoolkaart van het Koningrijk der Nederlanden etc. van H.F. Puls ([1846], Bijzondere Collecties, Rijksuniversiteit Groningen). Bij diverse plaatsen staan jaartallen vermeld.

Het eerste sprankje zonlicht op het gebied van geschiedeniswandkaarten is in Nederland waargenomen in januari 1851. Dan spreekt Mees namelijk in de inleiding van zijn beroemde atlas het voornemen uit om "enkele [van zijn atlaskaarten] op grooter schaal te vervaardigen ten dienste van het onderwijs." [36] Een werkwijze die al eerder (1848) in Duitsland door Bretschneider en Von Spruner was gevolgd. Mees had het blijkbaar te druk met zijn atlaskaarten want veertien jaar later, in 1865, zegt hij er niet meer over dan dat er "eenige, drie of vier, in bewerking zijn om als wandkaarten te dienen bij het onderwijs." [37] En in 1868 verschijnt er slechts een "1e carton van kaart 3 als proef". Daarna werd het stil en het eerste lichtstraaltje doofde weer uit. De wandkaarten van Mees zouden er niet komen. Maar de volgende waarneming uit 1856 en vooral die van 1869 leverden definitief bewijs van een ochtendrood.

DE PRIMEUR VAN EEN DUIZENDPOOT

De tijd leek in de jaren 1860 rijp voor geschiedeniswandkaarten. Het wachten was echter nog op de persoon - onderwijzer of leraar of anderszins - die de eerste stap zou zetten. Zou W.J.A. Huberts (1829-1909) die persoon kunnen zijn? Hij werd na zijn promotie in Leiden (1857) leraar Nederlands, geschiedenis en aardrijkskunde in Gouda en Zutphen, en in 1867 directeur van de nieuwe 'Rijks Hoogere Burgerschool' in Zwolle. Huberts bleek een publicerende duizendpoot. Hij vervaardigde niet alleen aardrijkskundige en geschiedkundige schoolatlassen en leerboeken en twee aardrijkskundige schoolwandkaarten, maar ook werken op het gebied van de Nederlandse letteren. In het invloedrijke tijdschrift De Gids verschenen van zijn hand artikelen over de Nederlandse geschiedenis en in 1862 een lang artikel over Geografie en kartografie. Huberts, "wiens naam op cartographisch gebied een goeden klank heeft" [38], lijkt 'the right person at the right time' te zijn.

Wandkaartcode GES_BQ_F
8. Wandkaart ten gebruike bij het onderwijs in de geschiedenis der Nederlandsche gewesten van W.J.A. Huberts ([1869], kaartblad circa 56 x circa 46 cm, collectie Bodel Nijenhuis, Bibliotheek Universiteit Leiden). Deze kaart kan worden beschouwd als de eerste Nederlandse geschiedeniswandkaart.

En ook nog 'in the right place': Huberts zal als directeur van de Zwolse H.B.S. in 1867 ongetwijfeld kennis hebben gemaakt met een in schooluitgaven gespecialiseerde Zwolse uitgever, W.E.J. Tjeenk Willink. De eerste Nederlandse geschiedkundige schoolwandkaart verscheen dan ook in 1869 bij deze uitgever (afb. 8). De kaart is zoals te verwachten was grotendeels gebaseerd op drie hoofdkaarten en twee inzetten in de atlas van Mees (afb. 9). In het algemeen werd onderkend dat deze kaart een geheel nieuw leermiddel introduceerde in de school: "hij voorziet in eene dringende behoefte voor het onderwijs in de lagere scholen." [39] De kaart is van een groot formaat (167 x 137 cm) en is opgebouwd uit negen bladen. Vooral Noord-Nederland bevat echter veel details en is ondanks het grote formaat niet goed leesbaar van een afstand (afb. 10). Dit geldt ook voor de twee inzetten in de linker bovenhoek. Deze overlading was voor een schoolwandkaart uit 1869 overigens wel te verwachten. [40] Eenzelfde overstelping met kaartgegevens vinden we ook in een door Huberts bewerkte geschiedenisatlas: een deskundige op dit gebied, H. Hettema Jr., sprak van een "niet te ontwarren dwarrelboel" [41] en in een recensie van deze atlas werd gewaarschuwd dat de gebruikers "groot gevaar loopen hunnen oogen te bederven." [42]

Wandkaartcode GES_BQ_F
9. Het noordelijk deel van Graafschap Holland; links: fragment van Noord-Nederland in 1530, de laatste tijden der grafelijke regering in de Historische atlas van Noord-Nederland van de XVI eeuw tot op heden van G. Mees Az. (1851-1865, 36 x 43 cm), rechts: fragment van de in afb. 8 weergegeven wandkaart van Huberts. Huberts heeft onder meer 'vroegere kustlijnen' en 'Middeleeuwsche benamingen' aan de kaartinhoud van Mees toegevoegd.

Het belangrijkste knelpunt van Huberts' geschiedeniswandkaart is echter de verwarring die ontstaat door de weergave van gegevens uit diverse tijdvakken op één kaart. De hoofdkaart vermeldt namelijk:
-'vroegere kustlijnen' (afb. 9 rechts), waarschijnlijk uit de Romeinse tijd (Brittenburg staat aangegeven);
-Middeleeuwse namen;
-Nederlandse gewesten rond 1550;
-en grenzen van de Franse veroveringen in 1672 (aangegeven met een rode lijn, afb. 10).
Een recensent van Huberts' wandkaart was bekend met de serie van veertien atlaskaarten van Mees en de serie van tien wandkaarten van Bretschneider, en kon daarom "niet vatten, hoe men, bij geschiedenisonderwijs, met ééne kaart kan volstaan." [43] En hij vervolgde: "Wel is er veel, wellicht alles, uit verschillende tijdperken op aangebracht, doch juist de opvolging der omtrekken, de wording, de trapsgewijze aangroeiing - dit alles moet, uit den aard der zaak, ontbreken." Het is wel begrijpelijk dat uitgever Tjeenk Willink het nog niet aandurfde om meteen een hele serie relatief kostbare geschiedeniswandkaarten uit te geven en eerst wilde afwachten hoe deze ene wandkaart ontvangen zou worden.

Wandkaartcode GES_BQ_F
10. Fragment (het zuidelijk deel van Holland en Utrecht) van de in afb. 8 weergegeven wandkaart van Huberts. Veel namen en symbolen zijn op een afstand van een paar meter onleesbaar.

Huberts' wandkaart kreeg enige erkenning en bekendheid in de onderwijswereld. Maar de kaart zorgde in de 19de eeuw niet voor echte opvolgers, noch bij Tjeenk Willink (afgezien van een heruitgave uit 1877 [44]) noch bij een andere uitgever. Bovengenoemde bezwaren (onduidelijk, diverse tijdvakken op één kaart) kunnen hierbij een rol gespeeld hebben, maar misschien was de kaart in Nederland eenvoudigweg zijn tijd nog te veel vooruit. In 1880 was de geschiedeniswandkaart van Huberts al in de vergetelheid geraakt, en moesten onderwijzers en leraren in een lang artikel in een schoolblad eraan herinnerd worden "dat wij sedert een tiental jaren eene kaart voor het onderwijs in onze geschiedenis bezitten. … Zij had in dien tijd den weg kunnen vinden in elke school, waar onze geschiedenis wordt onderwezen. Dit is evenwel niet gebeurd." [45] Ook de andere drie geschiedeniswandkaarten uit de 19de eeuw (1856, 1887, 1893) lieten om vergelijkbare redenen [46] nauwelijks sporen na in de Nederlandse schoolkartografie. De 19de eeuw had zijn kansen verspeeld.

NAKOMER

In de tweede helft van de 19de eeuw leek de tijd gekomen voor de geschiedeniswandkaart aangezien:
-de aandacht voor geschiedenisonderwijs was toegenomen door de onderwijswetten van 1857 en 1863;
-er nieuwe geschiedenismethoden ontstonden en aanschouwelijkheid meer aandacht kreeg;
-een betrouwbare kaartbron - de atlas van Mees - vanaf 1865 in zijn geheel beschikbaar was;
-en de wandkaarten van Bretschneider (1856) het voorbeeld gaven.
Toch komt dit alles nog niet echt tot uiting in de geschiedeniswandkaarten uit deze periode. Er zijn er slechts vier verschenen, en de kwaliteit ervan is gering: overladen, onduidelijk en een samenraapsel op één kaart van gegevens uit diverse tijdperken. Hierboven is dat geïllustreerd aan de hand van de wandkaart van Huberts. Dat de kwaliteit van de allereerste geschiedeniswandkaarten te wensen over laat, is wel begrijpelijk. Ook de allereerste aardrijkskundige schoolwandkaarten hadden last van kinderziekten. [47] Dat er slechts een handvol geschiedeniswandkaarten gepubliceerd is, kan verklaard worden uit het feit dat het enthousiasme voor het geschiedenisvak maar langzaam groeide. Nog in 1897 werd verkondigd: "Toch is er wellicht geen enkel leervak, dat door zooveel onderwijzers weinig of niet geschikt geacht wordt voor de lagere school." [48] Bovendien spelen bij het abstracte en verbale geschiedenisvak kaarten een veel kleinere rol dan bij het aardrijkskundevak. En als er dan wandkaarten werden gebruikt, dan waren dat vaak óf aardrijkskundewandkaarten (soms verrijkt met geschiedkundige feiten) óf Duitse geschiedeniswandkaarten. Ten slotte was het uitgeven van een hele serie geschiedeniswandkaarten een dure en gewaagde onderneming. Vanaf de eeuwwisseling, in de jaren 1900, krijgt de geestdrift voor het geschiedenisonderwijs toch de overhand over het scepticisme, en in de periode 1908-1909 verschijnen maar liefst drie series geschiedeniswandkaarten (totaal 22 kaarten) van De Jongh, De Jager en Van Fenema. [49] De jaren 1900 zijn daarmee voor de geschiedeniswandkaarten wat de jaren 1840 zijn voor de aardrijkskundige schoolwandkaarten.



Noten

-1. Brink, L.E.S., Bibliografie en foto-overzicht van de Nederlandse schoolwandkaarten (1801-1975). - Nijmegen, 2007. - blz. 12.
-2. Brink, L.E.S., Nederlandse geschiedkundige schoolwandkaarten: Tevens supplement op Bibliografie en foto-overzicht van de Nederlandse schoolwandkaarten (1801-1975). - Nijmegen, 2014.
-3. Koonings, J., De school: Practische paedagogiek ten dienste van onderwijzers. - Zutphen, 1897. - Zevende druk, blz. 242.
-4. Toebes, J.G., Van een leervak naar een denk- en doevak: Een bijdrage tot de geschiedenis van het Nederlands geschiedenisonderwijs. - In: Kleio 17 (1976), blz. 202.
-5. Hooning, Th.J., Geschiedenisonderwijs in historisch perspectief. - In: Pedagogische Studiën 47 (1970), blz. 187.
-6. Jong, G. de, M. Baayens en D.T.E. van der Ploeg, Kind, school en geschiedenis: Didactische aanwijzingen voor het geschiedenis-onderwijs op de lagere school. - Amersfoort, [1965].
-7. Dalhuisen, L.G., P.A.M. Geurts en J.G. Toebes (red.), Geschiedenis op school: In theorie en praktijk. - Groningen, 1976.
-8. Douma, H., De ontwikkeling van het lager onderwijs in Nederland. - Zutphen, 1922. - blz. 59.
-9. Hooning, Th.J., Geschiedenisonderwijs in historisch perspectief. - In: Pedagogische Studiën 47 (1970), blz. 185.
-10. Wouters, D. en W.J. Visser, Geschiedenis van de opvoeding en het onderwijs vooral in Nederland. - Groningen, 1926. - blz. 323.
-11. Fontaine, P.F.M., De lange adem van het geschiedenisonderwijs. - In: Spiegel Historiael 19 (1984), blz. 491.
-12. Scheepstra, H., W. Walstra en K. Dokter, Beknopte geschiedenis van de opvoeding en het onderwijs, vooral in Nederland. - Groningen, 1918. - Zesde druk, blz. 241.
-13. Dörflinger, J., Geschichtsatlanten vom 16. bis zum Beginn des 20. Jahrhunderts. - In: Vierhundert Jahre Mercator: Vierhundert Jahre Atlas. - Weissenhorn, 1995. - blz. 193.
-14. Kretschmer, I., J. Dörflinger en F. Wawrik (red.), Lexikon zur Geschichte der Kartographie. - Wien, 1986. - Deel 1, blz. 266.
-15. Dörflinger 1995, blz. 193.
-16. Mees Az., G., Historische atlas van Noord-Nederland van de XVI eeuw tot op heden. - Rotterdam, 1851-1865. - Inleiding, blz. 7.
-17. Dörflinger 1995, blz. 194.
-18. Mees 1851-1865, blz. 9.
-19. N.N., Aanteekeningen van het verhandelde in de sectie-vergaderingen van het Provinciaal Utrechtsch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen, etc. - Utrecht, 1851. - blz. 32.
-20. Mees Az., G., Geschiedkundige atlas van Noord-Nederland. - In: Overijsselsche Almanak voor Oudheid en Letteren 8 (1843), blz. 156.
-21. Koeman, C., Geschiedenis van de kartografie van Nederland. - Alphen aan den Rijn, 1983. - blz. 253.
-22. Boot, J.C.G., Levensschets van Mr. G. Mees Az. - In: Jaarboek van de Koninklijke Akademie van Wetenschappen (1883), blz. 6.
-23. Koeman 1983, blz. 253.
-24. Mees 1851-1865, Voorberigt.
-25. Wagemaakers, T., Hettema en De Bont: Een vergelijking van twee geschiedenisatlassen (1890-1960). - In: Caert-Thresoor 29 (2010), blz. 102.
-26. Keyser, R. de, E. van Ermen en H. Leclercq, Atlas van de wereldgeschiedenis. - In: Digo: Didactiek in het Geschiedenisonderwijs VII (1983/1984), blz. 213.
-27. Stegner, W., Geschichtswandkarten im Verlagsschaffen der Gothaer Geographisch-kartographischen Anstalt. - In: Fortschritte in der geographischen Kartographie. - Gotha, 1985. - blz. 47.
-28. Witkamp, P.H., Geschiedenis. - In: De tentoonstelling voor onderwijs te Amsterdam in 1860. - Amsterdam, 1861. - blz. 170.
-29. Bont, A.L. de, Geschiedkundige schoolatlas der algemeene en vaderlandsche geschiedenis. - Groningen, 1893. - Voorbericht.
-30. Mees 1851-1865, blz. 16.
-31. Brink 2014, blz. 13.
-32. Wagemaakers 2010, blz. 101-102.
-33. Fenema, J.G. van, Handleiding bij de historisch-geologische en -geographische wandkaart der Nederlanden. - Meppel, [1909]. - Voorwoord, blz. III.
-34. Lummel, H.J. van, Korte schets der opvoedingsleer voor kweekelingen en aankomende onderwijzers. - Utrecht, 1868. - blz. 91.
-35. Koonings 1897, blz. 250.
-36. Mees 1851-1865, blz. 26.
-37. Mees Az., G., zonder titel. In: Handelingen van het VIIIste Nederlandsch Taal- en Letterkundig Congres, etc. - Rotterdam, 1865. - blz. 108.
-38. N.N., Bibliografie. In: Nieuwsblad voor den Boekhandel 37 no. 19 (1870), blz. 82.
-39. N.N., Boekaankondiging. - In: De Wekker 26 no. 39 (1869), blz. 3.
-40. Brink, L.E.S., Van kaart aan de wand naar wandkaart: Generalisering van schoolwandkaarten vanaf 1840. - In: Geo-Info 8 no. 7/8 (2011), blz. 24-30.
-41. Hettema Jr., H., Iets over historische cartographie. - In: Tijdschrift voor Geschiedenis, Land- en Volkenkunde 11 (1896), blz. 20.
-42. S.V., Historisch-geographische atlas der algemeene en vaderlandsche geschiedenis. - In: De Gids 38 II (1874), blz. 366.
-43. Wijnne, J.A., Wandkaart bij het onderwijs in de geschiedenis der Nederlandsche gewesten. - In: De Schoolbode 1 (1869), blz. 300.
-44. Alleen in Brinkman's Catalogus (1850-1882) hebben we een verwijzing naar deze heruitgave kunnen vinden: '1869; N. uitg. 1877'. Mogelijk betreft het een ongewijzigde heruitgave.
-45. Frederiks, J.G., Ook voor het lager onderwijs. - In: De Wekker 39 no. 70 (1880), blz. 1.
-46. Brink 2014, blz. 29-42.
-47. Brink, L.E.S. en L.M.A. Holl, De wereld aan de wand: De geschiedenis van de Nederlandse schoolwandkaarten. - Zwolle, 2010. - blz. 12-25.
-48. Koonings 1897, blz. 242.
-49. Brink 2014, blz. 42-57.

Summary

The historical wall map: the late comer of Dutch school cartography

Both geographic and historical school wall maps were new teaching aids in 19th-century Dutch education. Whereas the first category found increasing application since 1840, the historical school wall map remained a rarity in Dutch class-rooms until 1908. After examining the state of history teaching and the cartography of historical maps in the 19th century, and after discussing the first Dutch historical wall map (1869), four explanations for the late appearance of Dutch historical wall maps could be given. These are: the low prestige of history teaching in the 19th century, the scarce use of maps in history teaching due to its verbal and abstract nature, the substitutive use of geographic or German historical school wall maps, and, finally, the high cost of publishing a series of historical wall maps.


homepage
De Wereld aan de Wand
foto-overzicht
Collectie De Wereld aan de Wand
informatie
(school)wandkaarten
Museum aan de Wand