gepubliceerd in: Kleio, 65 (2024), nr. 7, p. 38-41
Antiquariaat De Wereld aan de Wand
XXXVI Bruikbaarder dan alles wat de negentiende eeuw heeft voortgebracht: De geschiedeniswandkaarten van J.W. de Jongh uit 1908
door Lowie Brink
In de tweede helft van de 19de eeuw ontwaakte de belangstelling voor het geschiedenisonderwijs, ontstonden nieuwe geschiedenismethoden en kreeg aanschouwelijkheid meer aandacht. Maar dit alles komt nog niet echt tot uiting in de geschiedeniswandkaarten uit deze periode. Er zijn er slechts vier verschenen, en de kwaliteit ervan is gering: overladen, onduidelijk en een samenraapsel van gegevens uit diverse tijdperken op één kaart.
Dat de kwaliteit van de allereerste geschiedeniswandkaarten te wensen over laat, is wel begrijpelijk. Ook de allereerste aardrijkskundige schoolwandkaarten hadden last van kinderziekten. Dat er slechts een handvol geschiedeniswandkaarten gepubliceerd is, kan verklaard worden uit het feit dat het enthousiasme voor het geschiedenisvak maar langzaam groeide. Nog in 1897 werd verkondigd: 'Toch is er wellicht geen enkel leervak, dat door zooveel onderwijzers weinig of niet geschikt geacht wordt voor de lagere school.' [1] En als er dan wandkaarten werden gebruikt bij het geschiedenisonderwijs, dan waren dat vaak aardrijkskundige wandkaarten. Bovendien was het uitgeven van een hele serie geschiedeniswandkaarten een dure en gewaagde onderneming. Vanaf de eeuwwisseling, in de jaren 1900, krijgt de geestdrift voor het geschiedenisonderwijs toch de overhand over het scepticisme, en in 1908 verschijnt de eerste serie van twaalf geschiedeniswandkaarten van J.W. de Jongh.
Succesverhaal
Het Haagse schoolhoofd Jan Willem de Jongh (1860-1941) liep al in 1904 rond met plannen voor een serie geschiedeniswandkaarten. Maar om 'technische moeilijkheden, als de buitengewone grootte der benoodigde steenen, de talrijke gewenschte kleuren, doch bovenal de daaraan-geëvenredigde hooge prijs' moest hij er vanaf zien. [2] In 1908 waren de 'moeilijkheden' echter overwonnen en kon De Jongh toch als eerste ermee voor de dag komen. Geschiedenis had al eerder zijn belangstelling getuige zijn publicatie (inclusief een kaartje) in het Haagsch Jaarboekje van 1898 over 's-Gravenhage omstreeks 1400. In dezelfde stad was sinds 1872 ook een uitgever werkzaam die zich specialiseerde in schooluitgaven: Joh. Ykema. Deze was al vanaf 1874 actief met aardrijkskundige schoolwandkaarten en had naam gemaakt met een in 1879 uitgegeven serie geschiedkundige schoolwandplaten: Historieplaten voor schoolgebruik. Een toelichting ontbrak echter nog bij deze serie, en het is hier dat de wegen van De Jongh en Ykema elkaar voor het eerst kruisten. De Toelichting bij de Nederlandsche historieplaten die De Jongh in 1901 bij Ykema liet uitgeven, bleek een groot verkoopsucces. Het gaf auteur en uitgever de moed om in de jaren daarna tot publicatie over te gaan van twaalf Historische portretten (1906-1908) en van Twaalf wandkaarten der vaderlandsche geschiedenis (1908). Een en ander bleef overigens niet onopgemerkt bij de grote concurrent Wolters. De serie Schoolplaten voor de vaderlandsche geschiedenis die De Jongh samen met Wagenvoort na een aanbod van Wolters vanaf 1910 publiceerde, zou door de medewerking van onder anderen de vermaarde tekenaars Isings en Jetses een van de grootste succesverhalen worden op het gebied van onderwijsuitgaven. De veel minder bekende twaalf geschiedeniswandkaarten van De Jongh zullen hier echter alle aandacht krijgen.
1. Schoolwandkaart Nederland omstreeks 1300 van De Jongh uit 1908 (98 x 76 cm, Collectie De Wereld aan de Wand, Nijmegen).
Soberheid
De Jongh was niet cartografisch geschoold. Dat kon ook niet anders aangezien een cartografische opleiding in Nederland in zijn tijd ontbrak. Toch blijkt uit de twaalf kaarten en de bijbehorende Toelichting bij de twaalf historische wandkaarten - beide geheel door De Jongh vervaardigd - dat hij als eerste in Nederland goed heeft nagedacht over het ontwerp van geschiedeniswandkaarten. In de uitgebreide toelichting - overigens ook een primeur op dit gebied - stelt De Jongh zes eisen aan geschiedeniswandkaarten, die de geest ademen van het
baanbrekende werk uit 1898 Proeve eener algemeene kartografie van H. Zondervan, een Groningse aardrijkskundeleraar. Zondervans eisen wat betreft de eenvoud, soberheid en duidelijkheid van aardrijkskundige schoolkaarten komen weer terug in De Jonghs paragraaf over Eischen aan de historische wandkaarten gesteld. Deze laatste zijn:
1. goedkoop ('wel wetende, dat dit nieuwe aanschouwingsmiddel, hoe nuttig het moge zijn, anders nooit de school zou binnen dringen');
2. voor de lagere school ontworpen;
3. geschikt voor klassikaal gebruik: forse lijnen, duidelijke letters en zachte en heldere kleuren;
4. rustig en sober; geen bijkaarten en inzetten (vaak onleesbaar en 'de kaarten gaan, om een teekenaarsterm te gebruiken, rammelen'); geen overlading met namen, jaartallen en symbolen;
5. de waterstaatkundige geschiedenis in beeld brengen;
6. de belangrijkste tijdvakken en gebeurtenissen door een juiste keuze van de kaartonderwerpen aan bod laten komen.
De Jonghs wandkaart Nederland omstreeks 1300 (zie afbeelding 1) is een voorbeeld van een kaart waarin deze eisen tot uiting komen en die ook de goedkeuring van Zondervan zou kunnen wegdragen. De kaart is bedoeld voor de lagere school, heeft afstandswerking en is sober en niet overladen (en de prijs was slechts f 1,25). Andere kaarten uit de serie zijn soms wat voller en minder duidelijk, maar van vrijwel elk deel van deze serie van twaalf kaarten kan worden gezegd dat hij bruikbaarder is dan alles wat de negentiende eeuw heeft voortgebracht aan geschiedeniswandkaarten.
2. Kaart van het beleg en ontzet van Leiden in 1574 van Fruin uit 1874 (links) en de schoolwandkaart Beleg en ontzet van Leiden in 1574 van De Jongh uit 1908 (rechts).
Bijeengesprokkeld
De wandkaarten in de serie van De Jongh zijn dan wel sober en sterk vereenvoudigd (gegeneraliseerd), maar in het algemeen met behoud van voldoende nauwkeurigheid: 'Hoe figuratief de kaartjes ook zijn, ze geven vrij juist den vorm van de kusten en eilanden, den loop der hoofdrivieren en de richting der grenzen weer.' In zijn toelichting laat De Jongh dan ook zien dat hij goed op de hoogte is van de in 1908 beschikbare (kaart)bronnen, en hij verwerkt deze op een nauwgezette en zinnige wijze in zijn kaarten. Hij had in 1909 zelfs al lucht gekregen van de Geschiedkundige atlas van Nederland (1913-1938), die hij omschrijft als de 'historische atlas voor de vaderlandsche geschiedenis, die eerlang zal worden uitgegeven.' De belangrijkste kaartbron voor De Jongh was echter uiteraard de befaamde Historische atlas van Noord-Nederland van de XVI eeuw tot op heden (1851-1865) van G. Mees Az. Diverse kaarten uit de serie zijn gebaseerd op deze atlas, althans wat betreft de Noordelijke Nederlanden. Gegevens voor de Zuidelijke Nederlanden zijn bijeengesprokkeld uit diverse andere bronnen. Een kaart van het beleg van Leiden in 1574 staat niet in Mees' atlas, maar De Jongh kon voor zijn wandkaart over dit onderwerp als kaartbron gebruiken de Kaart van het beleg en ontzet van Leiden in 1574 van de historicus prof. R. Fruin (zie afbeelding 2). Het geeft een fraai voorbeeld van hoe De Jongh door een sterke generalisatie en toevoeging van benodigde gegevens (in dit geval hoogtekleuren en een uitbreiding van de kaart naar het zuiden) een gedetailleerde handkaart in atlas of boek omzet in een duidelijke, op afstand te gebruiken wandkaart.
3. Fragment van de kaart Oud Nederland vóór en ten tijde der Romeinen van Arend uit 1840 (boven) en van de schoolwandkaart Nederland vóór en ten tijde der Romeinen van De Jongh uit 1908 (onder).
Fantastisch
Een betrouwbare bron vinden voor De Jonghs wandkaart van Nederland in de Romeinse tijd zal niet makkelijk geweest zijn. De (historisch) geograaf A.A. Beekman, de man achter de Geschiedkundige atlas van Nederland, had al zijn bedenkingen: 'Al neemt men aan, dat al het weinige wat uit die tijden tot ons is gekomen vaststaat, dan nog is het zeer moeilijk om dat te teekenen. Kustlijnen, eilanden, zeeboezems en wadgronden, ten deele ook de rivieren, moeten op zoo'n 'kaart' alle min of meer hypothetisch zijn, in bijzonderheden zelfs fantastisch.' [3] En de historicus P.J. Blok maakte zich er in zijn standaardwerk Geschiedenis van het Nederlandsche volk vrij makkelijk vanaf: 'Bij de onmogelijkheid om den vorm van den bodem [vóór de 13de eeuw] naar waarheid af te beelden … nam ik eenvoudig den vorm in de 13de eeuw.' [4] Misschien dat De Jongh dankzij een verwijzing van Mees toch op het spoor van een bruikbare bron is gekomen. Mees beweert namelijk over de Algemeene geschiedenis des vaderlands (1840-1882) van J.P. Arend: 'een werk dat zich door het gebruiken van de beste bronnen, zeer aanbeveelt, en is toegelicht door eenige gesteendrukte, ongekleurde kaarten, door den schrijver zelven ontworpen.' [5] Eén van deze kaarten Oud Nederland vóór en ten tijde der Romeinen uit 1840 heeft De Jongh zonder twijfel gebruikt voor zijn wandkaart (zie afbeelding 3). Voor de 'Romeinsche legerplaatsen' en de in rood aangegeven 'Romeinsche legerbanen' - de laatste zijn niet vermeld op Arends kaart - is De Jongh te rade gegaan bij publicaties van deskundigen als J.H. Holwerda Jr., W.A. Beelaarts en P.J. Blok, ook al waren deze het rond 1908 lang niet met elkaar eens (en 'zoolang niet uitgemaakt is, wie gelijk heeft, kunnen wij leeken geen keuze doen'). Opmerkelijk is het feit dat Arends 'hypothetische' kaart uit 1840 dankzij de uitgave van De Jongh (1908), een verbeterde tweede druk uit 1931 en een ongewijzigde heruitgave door uitgeverij Agteres rond 1990, steeds maar weer dapper boven water komt, en maar niet in de vergetelheid wil wegzinken.
Waagstuk
Niet alleen het samenstellen van een kaart van Nederland in de Romeinse tijd, ook het vervaardigen van een kaart van Nederland omstreeks het jaar 1300 is een waagstuk, zeker in de jaren 1900, vóór het verschijnen van de Geschiedkundige atlas van Nederland. Ook De Jongh heeft dit beseft en verantwoordt zich in zijn toelichting als volgt: 'Het is al erg genoeg, dat men van den uiterlijken vorm van het land [rond 1300] met zijn rivieren en eilanden, zijn meren en binnenzeeën een kaart durft te geven. Oneindig meer bevoegden dan ik, hebben die stoutigheid vóór mij herhaaldelijk begaan, waarom zou ik hen dan niet volgen?' De Jonghs wandkaart Nederland omstreeks 1300 is samengesteld uit 'stoutigheden' van diverse 'bevoegden':
-Dollart en omgeving: kaart van Nederland op het einde der dertiende eeuw (1841) van de hierboven genoemde Arend;
-Noorderkwartier: kaart Hollands Noorderkwartier in 1288 (1864) van G. de Vries Azn.;
-Middelzee en Zeeland: kaarten in Beekmans Nederland als polderland (1884).
Waardering
De kaartserie van De Jongh betekende een grote stap vooruit als we ze vergelijken met de geschiedeniswandkaarten uit de negentiende eeuw: soberder, duidelijker en dus bruikbaarder. Bovendien wordt met deze serie voor het eerst onderkend dat voor een afdoende behandeling van de belangrijkste onderwerpen van de vaderlandse geschiedenis toch minimaal circa tien wandkaarten nodig zijn. De waardering die deze twaalf kaarten ondervonden in de schoolwereld blijkt wel uit het feit dat deze serie - als enige - een tweede druk beleefde (1931-1932) en rond 1990 zelfs nog een keer ongewijzigd werd heruitgegeven door Agteres, zodat de kaarten een groot deel van de twintigste eeuw leverbaar waren.
Noten
-1. J. Koonings, De school: Practische paedagogiek ten dienste van onderwijzers (W. J. Thieme & Cie., 1897, zevende druk, p. 242).
-2. J.W. de Jongh, Toelichting bij de twaalf historische wandkaarten der vaderlandsche geschiedenis, etc. (Joh. Ykema, 1909, p. 3). Diverse citaten in dit artikel zijn afkomstig uit deze toelichting. In digitale vorm is het boek te vinden op delpher.nl
-3. A.A. Beekman, Historisch-geologische en -geographische wandkaart der Nederlanden. In: Tijdschrift van het Koninklijk Nederlandsch Aardrijkskundig Genootschap (tweede serie) XXVI (1909), 1, p. 471.
-4. P.J. Blok, Geschiedenis van het Nederlandsche volk (J.B. Wolters, 1892-1908, eerste deel, p. 402).
-5. G. Mees Az., Historische atlas van Noord-Nederland van de XVI eeuw tot op heden (Verbruggen & Van Duym, 1851-1865, inleiding, p. 25).
Dit artikel is een bewerking van een hoofdstuk in het recentelijk verschenen boek De wereld tussen twee stokken: 50 schoolwandkaarten uitgerold (Zwolle, WBooks).
|